Sunday, 6 November 2016

De Stoep..

Ik loop door de grote houten poort en verlaat het tempelterrein van Ryozenji. Het indrukwekkende gebouwencomplex ligt verborgen achter bomen aan een wat saaie straatweg die het dorpje Bando doorkruist. Je zou niet zeggen dat dit het begin is van een beroemde, twaalfhonderd kilometer lange pelgrimstocht.
Het is 2012 en ik ben voor de eerste keer op Shikoku. 
Ik heb net, ook voor het eerst, de tempelrituelen uitgevoerd. Maar nu ik de warmte en vriendelijkheid van medepelrims en de monniken achterlaat, voel ik me alleen. Het miezert en de straatweg ziet er nog grijzer uit dan hij al is.
Mijn blik gaat naar rechts waar een stoep begint die langs de straatweg meeloopt en achter een pelgrimswinkeltje verdwijnt. Hij is van asfalt en in de berm loopt een goot mee die bedekt is met zware puttegels. Betoverd bekijk ik de onbeduidende opstap naar die stoep. Daar begint letterlijk een acht weken lang avontuur, mijmer ik, dat na een cirkel over het enorme eiland, hier weer eindigt. 
Ik loop langzaam naar de stoep en stap erop. Als ik vervolgens nog één keer omkijk naar Ryozenji gebeurt het.
Ik hoor en zie de pelgrims, monniken en bezoekers zoals daarnet, maar het beeld klopt niet meer. Ik kijk om naar de eenzame weg voor mij en dan weer terug naar de tempel, maar het gevoel gaat niet meer weg; ik sta nog steeds een paar meter van de tempel, maar ben in feite ergens anders. Ik ben 'in twaalfhonderd kilometer' terecht gekomen en kan niet meer terug.

Eind september 2016, precies vier jaar later, reis ik voor de vijfde keer naar Shikoku. Maar van magische stoepen en geluksgevoelens is absoluut geen sprake. Na een dienstvlucht vanuit Singapore vlieg ik dezelfde dag vanuit Amsterdam door naar Osaka en tuimel bijna achteloos het vliegtuig uit, rijd met twee nachtvluchten achter mijn kiezen met de limo-bus naar Tokushima, de hoofdstad van Shikoku, check in in mijn hotel en volledig over mijn slaap heen ga ik maar naar buiten. 
Ik sla vanaf de drukke weg een klein straatje in omdat ik aan het einde een Jinja tempel zie. Opeens is er geen verkeer meer maar stilte; de eerste stilte na drie dagen 'reis-rumoer'. Ik zie mezelf in de reflectie van een winkelruit. Ben ik echt iemand die duizenden kilometers vliegen nodig heeft om in een klein straatje, op een afgelegen eiland in Japan, dan eindelijk tot rust te komen? Terwijl ik het terrein van de tempel betreed besef ik dat dit niet het begin van een reis is; ik heb me gewoon verplaatst. Ik en mijn getergde zelf. Zonder enig plan en verwachting.

Alsof de sterren anticiperen op mijn gemoedstoestand loopt alles in deze eerste van negen weken anders. Na een te laat, en dus overhaast, begin van mijn tocht -  omdat ik letterlijk een minuut na het verlaten van mijn hotel ontdek dat mijn rugzak kapot is  - zal ik in deze eerste week twee keer terugkeren naar Tokushima en dus de 'energie' onderbreken. 
De eerste keer is na twee dagen wandelen, omdat ik heb afgesproken met drie pelgrim-vrienden voor een avond 'bieren en karaoken'. Het wordt een hilarische avond in een soort van dark-room, waar de langharige filosoof en Japankenner Dennis, die ik ooit leerde kennen als een spichtige vegetariër, zich ontpopt tot een heftige head-banging 'grunter' die het ene biertje na het ander achteroverslaat alsof het pepermuntjes zijn. Dan de bedachtzame Rober-John die een ontwapenende voorliefde voor oude jazz en Disney blijkt te hebben en - knaller van de avond - de stoere 'one-of-the-boys' Kelly die bij het eerste nummer via een perfect getimede move verandert in een sexy lijf waar een ras-performer in zit. Mijn bek valt open. Lekker ding, die Kelly!
Ik geniet zeker van de tomeloze energie om me heen, maar voel dat ik door het leeglopen in het afgelopen half jaar de schijn niet meer kan ophouden. Ik houd Dennis wel bij qua bier, maar voel me oud en onzeker bij deze 'jonkies'. Helaas komt dat maar van één kant, want de drank en het head-bangen heeft van de filosoof een overmoedige coach gemaakt die mij, 'hondenogerig' aankijkend de vertolking van een Billy Joel inlult. Ik trek mijn keel open en geef veel maar niet alles. Liefdeliedjes zijn momenteel kwetsbaar terrein en ik ga die guppies geen tranen geven.
De muzikale bonding heeft zijn werk gedaan, want de volgende dag loop ik, ondanks het feit dat ik alleen wil zijn. met Dennis een aantal dagen de bergen in, verder waar ik gebleven was. Robert-John sluit zich later aan als we in het laagland een stuk of vijf tempels aandoen. Erg gezellig, maar naarmate we meer tempels bezoeken lijkt het wel of ik meer en meer in de tocht 'getrokken' word. Het is alsof de rust die de wierookgeur mij geeft, mijn verlangen dieper in mijn hart zuigt.
's Middags keer ik voor de tweede terug naar Tokushima om een typhoon - die nooit komt - af te wachten. Wederom bier en gezelligheid.
En tussen al dit heen en weer reizen moet ik ook mijn oude rugzak, plus een gesneuveld keyboard vervangen.
'Tempelen, Bieren en Shoppen' wordt dus het motto van deze week? Nou ja, ik laat alles gelaten over mij heen komen. Geen verwachtingen toch? Dat had ik met mezelf afgesproken?

Maar Shikoku zou Shikoku niet zijn als het niet alleen met de verwachtingvollen, doch ook met de verwachtinglozen, grondig de vloer aanveegt.
Tussen tempel zes en zeven, op mijn tweede dag, kom ik langs Kumano, een oude, sobere shinto tempel, die op een kaal stuk grond in een klein buitenwijken staat. Het houten gebouw grijpt mij elke keer als ik hier kom bij de strot. Vlasachtig touw, zanderige kleuren van het hout en de verhoudingen van terrein ten opzichte van tempel, ze openen elke keer ongevraagd beelden in mijn hoofd van gebeurtenissen die in een stokoud verleden plaatsgevonden, maar blijkbaar in mijn geheugen aanwezig zijn.
Ik stap deze keer over de angst van de herkenning heen en verken het gebouw, uitgebreider dan andere keren, omdat ik besloten heb op mijn gevoel te gaan pelgrimeren en niet meer volgens het officiele tempelboek. 
Na mijn bezoek is er ruimte in mijn hoofd. Ik vertraag mijn lopen en zie mijn omgeving intenser.
Ik geniet.
Dit is dus pelgrimeren.
Als ik een paar uur later, bij de hogergelegen tempel tien voor de Hondo - de tempel van de hoofdgod - sta, heb ik een helder moment en valt een beeld binnen van hoe ik mijzelf graag zie in de komende jaren. Ik heb het beeld vaker de laatste tijd, maar de ontdekking dat ik het kan 'meenemen' op deze reis, is nieuw. Om mijn behoefte aan controle en analyse te beteugelen besluit ik het beeld weer los te laten. Als het beeld belangrijk genoeg is vind het zijn weg wel terug. Ik wil alles open houden. In plaats daarvan wil ik bij elke tempel van nu af aan slechts mediteren op twee zaken; rust en fucus. Meer niet. Rust en focus. Het wordt de simpele mantra van mijn reis.

Temidden van deze hectische week, heb ik een bijzonder gesprek.
Ik eindig mijn eerste twee dagen in een slaap-huisje voor pelgrims, op het parkeer terrein van een badhuis. Bij het vallen van de avond zitten ik en een mede-pelgrim, Megumi, aan de picknicktafel. Terwijl haar ranke armen om haar heen dansen om haar zorgvuldig gekozen woorden te begeleiden en haar blik als in een soort trans omhoog gericht is, maakt deze dromerige Japanse mij deelgenoot van haar Shinto-geloof. De overtuiging dat alle mensen, objecten, plekken en initiatieven vervuld zijn met een entiteit, een 'spirit' en dat dat een verplichting tot respect oproept in je verhouding ertoe. Ik luister ademloos en voor mij ontvouwt zich de wereld als een plek waar alles waarde heeft, elk mens telt, elk object gerespecteerd kan worden en elk initiatief ondersteunt wordt door krachten die we nog helemaal niet begrijpen.



3 comments:

  1. In 1 woord, nee 2: Eerlijk en mooi!

    ReplyDelete
  2. Heel indringend verslag. Heb het ademloos gelezen. Hoop op meer hiervan. Veel geluk en wijsheid op deze tocht.

    ReplyDelete
  3. om sprakeloos van te worden, zo mooi en puur!!

    ReplyDelete