Friday, 16 December 2016

Het Einde. De Onderstroom.

Twaalfhonderd kilometer lopen op Shikoku heeft mij per straat, per dorp, stad en provincie ondergedompeld in mijn eigen wereld. Het was een tijdelijke onderdompeling, die me ervaringen gaf die ik nodig heb, of niet verwachtte nodig te hebben. Na weken lopen veranderde ik van iemand met wandelschoenen aan in een pelgrim en was de ongewone omgeving waar ik in existeerde als soepele kleding om mij heen gaan zitten. Ik werd onderdeel van de onderstroom.

Toen ik de allereerste keer Shikoku bezocht, vier jaar geleden, vluchtte ik na twee weken weg. Ik name de trein terug naar Tokushima, checkte in bij een hotel, kocht een paar biertjes en viel uitgeput in slaap. 
Toen ik de volgende ochtend wakker werd, hield ik mijn ogen dicht omdat ik mij bewust was dat er iets helemaal niet goed was met mij. Ik voelde dat ik met mijn rechterarm wel kon proberen mijzelf op te richten, maar dat ik dan iets kapot moest maken. Ik duwde mijn arm tegen de binnenkant van een cocon, waar ik blijkbaar inzat, en scheurde deze kapot. Ik kreeg daarbij een ongelofelijk heftig gevoel van schuld. Schuld over wat ik de dag daarvoor had gedaan. Schuldgevoelens naar dat 'iets' dat de Henro is en dat ik nu zomaar had onderbroken. Ik brak bijna letterlijk het proces af dat ik zelf in gang had gezet en voelde dat ik iets van ongelofelijke waarde kwijt was.
Alle keren dat ik daarna terug ging naar Shikoku was ik mij bewust van die initiële ervaring in dat hotelbed. Het bracht me ertoe de Henro als een entiteit te ervaren. Daardoor kon ik de dankbaarheid dat de Henro onlosmakelijk met mijn leven en biografie verbonden is, plaatsen in een groter geheel, waarin velen, gezien en ongezien, met oprechte intenties betrokken zijn en zorg dragen.  

Maar uiteindelijk kom ik na twaalfhonderd kilometer terug op de plek van vertrek en moet ik er weer uit. Terug naar mijn eigen Nederlandse leven. Ik sluit mijn Henro af. Het is klaar nu.
Voor mij persoonlijk zijn er drie 'rituelen' in de tocht die de transitie terug bewerkstelligen.
Ten eerste kom je na tempel zevenentachtig bij de 'Henro-saloon'. Een gebouw met een klein museum over de tocht, maar vooral de plek waar je een oorkonde ontvangt. De persoon die het geeft bevestigt eigenlijk jou aanwezigheid op het eiland en noemt je nu ambassadeur van de Henro. Dit is een ontroerend moment.
Het tweede ritueel is het bereiken van tempel achtentachtig. Het gebruik wil dat je hier je staf achterlaat. Ik doe dit niet, maar voel me na het verlaten van de tempel geen pelgrim meer. Ik heb er deze keer trouwens overnacht, wat een extra ervaring van verbinding gaf. Ik raad het iedereen aan.
Het derde en meest indrukwekkende ritueel voor mij is om tempel Ryozenji weer te bereiken. De cirkel is figuurlijk, maar vooral letterlijk rond. Het moment dat ik bij tempel tien letterlijk het pad kruis dat ik negen weken daarvoor ging is mooi en geeft bevrediging. Bij Ryozenji steek ik bij de Hondo een kaars voor mijzelf op en bij de Daishdo eentje voor de energie van dit eiland, de tempels en de mensen die voor mij hebben gezorgd. Maar deze keer vooral voor het vermogen van de menselijke soort om met zijn wilskracht materie niet alleen om te zetten tot wapenen die scheidend werken, maar ook om materie te transformeren tot objecten die helpen verwondering, eerbied, vergeving en dankbaarheid te voelen; die niet scheidend, maar verbindend werken. Het mystieke aan religieuze discipline voor mij, is dat het scheidend èn verbindend werkt, op hetzelfde moment. Ik heb die mystieke wilskracht van de mens wel met tranen in mijn ogen gevoeld als ik bij een Hondo zag hoe iemand het steen, het goud, het papier, de bijenwas en het hout zo gerangschikt had, tot een tempel, dat ik er rust en inspiratie door kreeg en mijzelf en de wereld kon aanraken, er één mee kon worden.
Dan zet ik mijn staf bij de Daishdo van Ryozenji, maak er een buiging voor en bedank hem. Ik werp een laatste blik op de vissen in de vijver en ga.

Daar sta ik, met mijn gezicht naar de toegangspoort waar ik nieuwelingen zie komen. En ik? Ik ben een oud-gediende, een 'oldie'. Ik ben hier vier jaar lang gekomen en gegaan, de mensen hier zijn mij dierbaar, ik laat het nu achter me.
Ondanks de stromende regen besluit ik de twintig kilometer naar Tokushima, en mijn hotel, te lopen. Langs de bewolkte straten van de vlakke rivierdelta, de bruggen over de hoofdwegen, en het pad langs de treinbaan waar ik het boemeltje in tegengestelde richting naar Bando zie gaan, besef ik met een brok in mijn keel dat ik de laatste dag beleef van vier jaar pelgrimeren in Japan. Ik heb geen heimwee. Het is een vol gevoel. Mijn gedachtes gaan terug de tijd in.
De eerste keer dat ik pelgrimeerde overviel de angstaanjagende confrontatie met een deels onverwerkt verleden mij. Ik vluchtte, rende gelukkig weer terug en ging het aan. Ik kwam in de roerige wereld van mijn binnenkant terecht en verbleef daar, observeerde, analyseerde, begreep, voelde en accepteerde. Daarna kwam ik vaak terug op dit eiland, om verschillende redenen. En deze keer dan stond mijn aanwezigheid hier in het teken van mijn toekomst. Ik ontrafelde het mechanisme van twijfel, voorzichtigheid en faalangst, waardoor ik niet beweeg. Het ontbloten van die angel heb ik te danken aan mijzelf, maar ook aan mijn jaren in Japan.

Echter, door dit alles heen, in elke beweging van mijn gevoel, mijn angst, mijn vermijding, zit de confrontatie met het ultieme thema.
De dood.
Hij is het begin en het einde van elke beweging.
En die confrontatie, toen ik op Shikoku de deur iets open durfde te zetten, was enorm indrukwekkend. Ontzagwekkend. Totaal. Het onderkennen van de angst voor de dood was niet het oplossen van die angst. Maar wel het geven van een rechtmatige plek in mijn leven ervan. Ik heb op de meest vertwijfelde momenten, op eenzame, sombere straten op Shikoku geleerd, dat het volledig onderkennen van mijn eigen sterfelijkheid niet betekent dat ik mijzelf kwijt ben in totale donkerte. Ik heb er zelfs creativiteit in ontdekt, want ik schrijf er nu over in een blog. De dood is een onwelkome gast voor mij, zeker, want ik houd van het leven, maar hij heeft nu een plek op mijn schouder. Zo hoef ik hem niet elke dag te zien, maar hij is wel dichtbij en wordt niet ontkend. Zoals het hoort.

Ik bedank de Henro als universeel middel, voor iedereen die haar uit verlangen opzoekt, om het veelvoudige pad te gaan dat leidt naar onbekende plekken. En in mijn hart is nu voor altijd een speciale plek voor Japan en zijn inwoners.  

Pelgrim af.

Als ik Iyadaniji verlaat ben ik klaar met pelgrimeren. 
De vraag is nu, ga ik stoppen om een week te schrijven in Tokushima? Of loop ik de ruim honderdvijftig kilometer door en sluit de cirkel. Want dat is eigenlijk het mooiste moment van de hele tocht.  
Ik ben er nog niet over uit.

Het is nog dagen lopen naar de hoofdstad van Kagawa, Takamatsu. Toch verstedelijkt het landschap in rap tempo. Ik kom aan in Zentsuji-Shi, een stad genoemd naar de eerbiedwaardige vijfenzeventigste tempel. Het enorme complex van tempels en administratieve gebouwen is de geboorteplek van Kukai en daarmee het kloppend hart is van de Henro. Ik begrijp het sentiment, maar ik voel me hier te veel in een soort Bethlehem en houd mijn bezoek kort. 
Verering, het is niet mijn ding.
Nee, geef mij dan maar het ongemakkelijke en kleine Koyamaji vlak daarvoor. Drie jaar geleden liep ik deze vierenzeventigste tempel binnen via de lelijke, modernistische achteruitgang. Ik zag de kale binnenplaats en achter de hoofdingang die lelijke, luidruchtige fabriek. De tempel ligt tegen een beboste berg, maar in mijn boeken verdween zij als de minst aantrekkelijke tempel van de hele tocht. Omdat ik niet meer pelgrimeer ontstaat er, nu ik deze gekneusde plek wederom bezoek, een gevoel van wederkerigheid in mijn hoofd die mij voorstelt deze tempel extra aandacht te geven. Ik ben haar dat eigenlijk wel verschuldigd.
Er rijden twee kleine opgewonden kinderen op een fietsje op het verder volkomen verlaten tempelterrein. Ik stel me rustig open voor de sfeer en zie dan iets dat ik eerder niet zag. Ik loop naar een hoger gedeelte, in de schaduw van de berg. Het is een klein heiligdom, een half in de berg uitgehouwen 'hol' met wat beelden. Ik had zoiets primitiefs niet verwacht, juist hier niet. Als ik de geur van mijn opgestoken wierook ruik, vouw ik in een impuls mijn handen en 'vraag' of deze plek beschermd kan worden en zijn oorspronkelijke glorie terug mag krijgen. 
Later die dag blijft de tempel mij bezighouden. En als ik vervolgens wat achtergronden lees over haar blijkt een oude man Kukai gevraagd te hebben deze tempel te bouwen. De man zou in ruil het heiligdom zijn eeuwige bescherming geven! 
Nou ja, grijns ik in mijzelf, ik ben dan wel klaar met de tocht, maar de tocht duidelijk niet met mij!

Na mijn korte bezoek aan Zentsuji kom ik vlak bij de volgende tempel Konzoji een oude bekende tegen die ik al verwachtte. Als ik langs zijn huis loop komt hij - een oude man - de deur uit en geeft mij, net als drie jaar daarvoor, een kleine poppetje. In het lijfje zit een briefje met tekst. Ook nu weer maakt hij op mij een wat verstijfde en onrustige indruk. Waarom moet die man de hele dag osettai - een gift aan pelgrims - uitdelen? Uit respect zal ik dit poppetje thuis bij de ander leggen.
In de rustruimte van Konzoji neem ik eindelijk een besluit over de rest van mijn tocht. Ik loop in vijf dagen naar het beginpunt, Ryozenji. Daarna reis ik naar Osaka om nog acht dagen schrijvend te genieten van het einde van mijn reis! Na lang zoeken vind ik een appartement met keuken, badkamer en zelfs een balkon, in de  volkse buurt Abeno en reserveer. Ik kan niet wachten!
Als ik opkijk uit mijn gemijmer en de pelgrims en de tempel zie, besef ik dat ik hier nog wel ben, maar dat mijn hart niet meer in de tocht is. Maar ja, is dat nou juist niet de essentie van pelgrimeren, gaan waar je hart je leidt? Acht dagen in Osaka zijn is dus ook pelgrimeren!
Maar toch, afscheid hangt in de lucht. Die nacht logeer ik in een Zenkonyado - een gratis/goedkope slaapplek voor pelgrims - in de schaduw van tempel achtenzeventig, gerund door een oud echtpaar. Zij doen dit al heel lang en zijn een begrip onder pelgrims. 's Avonds zit ik met nog een paar andere pelgrims in de woonkamer. De oude man laat mij vol trots tientallen foto's, teksten en tekeningen zien die bezoekers voor hem maakten. Achter zijn trots en enthousiasme voel ik zijn tranen. Indachtig mijn eigen op handen zijnde afscheid denk ik dat ik hem wel begrijp.

De volgende dag trek ik het hooggebergte van Goshikidai in, waar de buitengewoon mooie tempels Shiromineji en Negoroji liggen. Samen met de tempel Kokubunji - die 'beneden' ligt - vormen zij een driehoek van vele kilometers stijgende en dalende bospaden en wegen.
Na een flinke stijging komen de beruchte traptreden naar Shiromineji. In vier jaar pelgrimeren bouwde ik de gewoonte op om omlaag te kijken bij een beklimming. Ik vermeed daarmee ontmoediging en hield mezelf in het moment. Maar op deze statige traptreden, begeleid door een haag van gedenkstenen - die de klim iets van een mystieke initiatie geven - vraag ik me af of vermijding, en dan niet alleen op trappen, nog wel nodig is voor mij. Ik moet toch verdorie dat doel kunnen zien liggen, zonder ontmoedigd te raken?!  Ik kijk naar boven en zie een zee van traptreden. Ok, let's improve! Ik blijf omhoog kijken terwijl ik stijg. Mijn ongeduld maakt mijn benen loodzwaar en ik voel alles intenser, mijn zweet, mijn rug, mijn voeten, alles. Maar ik bespot en daag uit en besef dat dit over wilskracht gaat.
Voor ik het weet is mijn ongeduld weg en loop ik gewoon omhoog.
Bij Shiromineji ben ik zo voldaan dat ik na een korte lunch niet de tempel bezoek, maar meteen weer vertrek! ik heb zelfs bij deze schitterende tempel blijkbaar niets meer te doen. 
De volgende tempel, Negoroji, ligt in de dikke bebossing van het berggebied. Je betreedt het via een mooie poort, waarna je atypisch een trap afloopt en door een schitterende bostuin twintig meter verder weer omhoog loopt naar het eigenlijke tempelterrein. Dat tempelterrein lijkt een soort oude kloostertuin, met oude gebouwtjes, op diverse niveau's, veel begroeiing en veel overdekte doorgangen met beelden. De oude bomen staan in volle herfst-tooi. Wat een intense sfeer van oude spirituele oefening hangt hier! Ik weet het deze reis zeker; dit is mijn favoriete tempel.
Maar er is ook dat bezoek, acht maanden geleden, toen ik hier met vriend Rick was, aan het einde van een roerige vakantie. Rick vond in sommige rituelen hier een manier om iets emotioneels af te sluiten, om vrede te vinden. Zijn welbewust voornemen dit in Japan te 'laten gebeuren' inspireerde mij en bij Negoroji nam ik het besluit over mijn relatie.
Als ik de bergen inloop is mijn ex-vriendin dichter bij dan ooit. Zij is heel de tocht bij mij geweest, maar hier, waar die sfeer van de onvermijdelijke terugreis naar huis nog hangt, kan ik er niet om heen. Ik voel me verdrietig om de hoop en de liefde die afgebroken zijn.

Na Negoroji houdt mijn 'spirituele spijbelgedrag' niet op. Ik besluit twee andere tempels ook over te slaan en meteen door te lopen en 'treinen' naar Takamatsu en daar een hotel te nemen. De volgende dag volg ik weer braaf het pad. Ik moet voor Yashimaji als Yakuriji - de vier- en vijfentachtigste tempel - twee keer een berg op en af. Na mijn ontdekking dat omhoog kijken niet tot ontmoediging leidt ga ik er vol voor! Tip voor de pelgrims onder mijn lezers: loop bij Yashimaji vóór de poort naar links langs de winkeltjes. Er wacht je dé verassing van de tocht: het meest weide panorama van de hele pelgrimage; uitzicht op de zee, Takamatsu, en de bergen erachter!

Maar dan, zo typisch aan het eind van mijn tocht, krijg ik de kans om 'achter de voorhang' te kijken. Achter elk verschijnsel ligt het ruwe materiaal waar het uit is opgebouwd. Vaak als idee, maar soms in materie uitgedrukt. En vlak voor Nagaoji, de zevenentachtigste tempel, staat diens 'Okunoin' - het 'binnenste heiligdom'. Elk van de achtentachtig tempels heeft een Okunoin, welke vlakbij, maar soms kilometers verder weg ligt. Het zijn vaak zeer oude plaatsen van religieuze oefening. 
Deze Okunoin ligt tussen een paar huizen in een gehuchtje vlak voor Nagaoji. 
De kleine binnenplaats  heeft een overspanning met seringen. Naast het tempeltje begint een woonhuis, waar ik voor het raam, tussen stoffige paperassen, een oude monnik zie schrijven. Ik knik en zet mijn rugzak bij een bankje. Ik heb net wierook aangestoken als de monnik door een deur de tempel inloopt en een voor mij onbekend ritueel gaat uitvoeren. Achter de gesloten luiken hoor ik het geprevel van teksten. Dan stopt dat en hoor ik opeens het blazen op een hoorn van een dier. Gefascineerd blijf ik luisteren naar het primitieve geluid dat afgewisseld wordt met meer geprevel en het geschud van bellen.
Na al die mooie, maar drukbezochte tempels van de afgelopen weken, onderga ik hier, tussen oude stenen, een waslijn met kleding, bloempotten en fietsenrekken, een ongepolijst, rauw ritueel dat onwelkom door mijn bloed heen drukt en mijn geest terugvoert naar brute, heidense tijden waar de afhankelijkheid van de godheid nog volledig was; dierlijk en universeel. 
Ik loop bedeesd weg, alsof ik getuige was van iets dat niet voor mijn ogen en oren bestemd was.

Mijn laatste dag als pelgrim is begonnen.

Monday, 12 December 2016

Geheime Bijeenkomst der Elementen

Ik sta bij de Hondo van Iyadaniji, de eenenzeventigste tempel. Zoals altijd is mijn hoofd gebogen, zijn mijn ogen dicht en sta ik open voor wat komt. Maar dan - zonder dat ik het per se zelf wil -  gaan mijn ogen open. Ik richt me op en een spier die van mijn nek naar mijn ruggengraat loopt ontspant zich. De ruimte die daardoor in mijn borst ontstaat veroorzaakt een diepe inademing.
Ik ben klaar.
Ik ben klaar met pelgrimeren. Ik ben klaar met naar binnen kijken, omdat ik weet wat ik wil. Als ik nu nog doorga met handen vouwen en visualiseren zou het een pose zijn.

-----

Na tempel zestig slingert het Henro-pad dagen lang om autoroute 11 heen. Pas bij Shikoku-Cho klimt het rechts de bergen in, langs de rand van de berg Hiraishi. Uiteindelijk volgt de beklimming van de berg die zijn naam ontleent aan de oude tempel die op de top staat, Unpenji, de zesenzestigste tempel, het hoogste punt van de hele pelgrimage, negenhonderd meter. Hierna loop je de vierde provincie Kagawa in.
Maar ik heb helemaal geen trek in dat lange stuk langs route 11, dorpje in, dorpje uit. Na vijftien kilometer lopen neem ik de trein naar Shikoku-Cho en check in bij een oude bekende, Hotel Mild. En niet één nacht, maar wederom twee. Drie jaar geleden werd ik bij binnenkomst in Hotel Mild verrast door de stem van een Nederlandse discjockey over de speakers; ze bleken Sky Radio te hebben! In Shikoku-Cho of all places! Nu loop ik voor de tweede keer binnen en verdomd, nog steeds Sky Radio, de hele dag door. Ik spreek geen Japans dus ik zal nooit te weten komen waarom.

Na anderhalve dag schrijfplezier vertrek ik weer, de bergen in. Ik verheug me op een hele dag hooggebergte, dorpjes en leuke rusthutten voor pelgrims.
Ik heb het al eerder geschreven, maar mijn sociale behoeftes op deze reis zijn minimaal. Maar bovenaan de lijst van 'te vermijden menselijk contact' prijkt de  'Praatgrage. Oudere, Japanse Pelgrim-man'. Het is ongetwijfeld onredelijk en cultureel discriminatoir, maar ik vind oudere Japanse pelgrim-mannen door de bank genomen opgewonden, nieuwsgierige wijsneuzen.
Langs de rivier Kinsei lopend haal ik er eentje in die aan de andere kant van de weg loopt. Zodra hij mij ziet dwingt hij mij opgewonden zwaaiend naar zijn kant, waar het wat veiliger lopen is. De zorgzaamheid is aandoenlijk, maar ik weet wat volgt. In rap Japans begint hij met het stellen van persoonlijke vragen, daarbij opdringerig naar mij toebuigend. Ik geef vrij kortaf aan dat ik geen Japans spreek (wat ik ook zou doen als ik de taal wel machtig was btw) maar dat werkt niet bij Praatgrage, Oudere Japanse Pelgrim-mannen. Dus loop ik gewoon bot van hem weg. Dan mompelt hij opeens in het Engels:'  Well, i do speak English'. En om het erger te maken herhaalt hij die zin een paar keer, daarbij met zwaaigebaren vermoedelijk mij en mijn on-Japanse rothouding over de reling de rivier in kieperend. Stiekem schaam ik me wat, want je moet het wel heel bont maken wil je een Japanner zo openlijk dramatisch krijgen.
Maar goed, ik ben wel van hem af... denk ik.
De beklimming van de berg Unpenji kent drie routes. Bij de laatste daarvan is slechts één B&B en daar wil ik slapen. Als ik aankom zie ik tot mijn ergernis mijn Japanner bij de ingang zitten. Hij gebaard me weer en ik knik minzaam, wetend hoe onredelijk ik ben. Hij vertelt dat de B&B vol is en de eigenaar van een verderop gelegen B&B hem komt ophalen met de auto...
...of hij even voor mij moet opbellen, om te reserveren...?
Slik..
Ik stotter een 'Ja, graag, bedankt'.
Even later zit ik achter in de auto, terwijl de Japanner vrolijk praat met de bestuurder, en voel me een enorme kleuter in een enorme hoek.
'Daar ga je met je botte gedrag, 'Mister Self-realisation'. Met al je diepe Zen-shit. Het is maar goed dat jij bent blijven door pelgrimeren.'

De volgende ochtend, zes uur, hangt er een dikke mist in de donkere bergen als ik aan de zeer stijle bergroute begin. De route wordt omschreven als 'Henro Korogashi'; 'de pelgrim valt om'. Een aanduiding voor de zwaarste parcours in de tocht. Deze is twee en een halve kilometer lang, zonder horizontale gedeeltes.
Hoe hoger ik klim, hoe dikker de nevelflarden. De herfstbladeren en vochtige aarde wasemen een heerlijke aardse geur uit. Als ik de kern van de mistwolk instap lijkt deze al het geluid uit de vallei op te slokken. Het is helemaal stil. Hogerop, als ik er na twintig minuten weer uitloop, breekt ochtendlicht door de nevel en zie ik hoe ranke bomen de diepte van de vallei zichtbaar maken. Ik voel me bijna gedrogeerd door de sprookjesachtige sfeer om mij heen. Dan, zonder overgang, loop ik het bos uit, het volle licht in en is mijn klim over.
Ik sta op een eenzame asfaltweg die letterlijk over de kam van de berg loopt. Ik ben op de top! Links zie ik de verre bergen van Kagawa, rechts die van Tokushima. De zon breekt door en schijnt fel op de gele en oranje bladeren van bomen en struiken. Grote mistflarden kruipen traag van rechts omhoog, over de weg waar ik loop, en glijden aan de andere kant weer naar beneden. Ik sta midden in een trage, tijdloze voortgang.
Het is een glorieus moment. Voor mijn hart en mijn geest. Hier loop ik, in de frisse ochtendlucht, en geniet van dit alles omdat ik weer voor Shikoku koos. Tegen alle verbazing van vrienden en familie in, vertrok ik toch weer en kijk dan! Ik ben zomaar getuige van een van de vele geheime bijeenkomsten der elementen op een plek die bijna niemand bezoekt.

Een half uur later loop ik het terrein van de eerbiedwaardige tempel Unpenji op.
De Hondo is exact vierkant, net een kubus. Het is een nieuw gebouw, want het hout is nog licht en glad. Een derde van de ruimte is voor bezoekers, daarna is er een afscheiding waarachter zich de heiige voorwerpen, kaarsen en een altaar bevinden.
Als ik in de Hondo binnenkom heb ik opeens een emotionele reactie. Het is me vaker overkomen in de tocht. En altijd door de relatie tussen tempelgebouwen en de omgeving of de objecten die erin staan. De aard van die ruimtelijke verhoudingen roept een verlangen op naar iets dat ik niet meer heb, maar waar ik ooit thuis was. De beklemming van een herinnering aan eenzaamheid, alsof ik ooit verstoken was van iedereen, door eigen keuzes. Ik sta minuten lang de ruimte in mij op te nemen en vind het prettig om die beklemming te herkennen en te voelen.

Terug uit de bergen, in Kagawa, wandel ik Daikoji, tempel zevenenzestig, binnen. Deze ligt midden tussen de rijstvelden, maar wel op een heuvel, waarop een hele oude, reusachtige boom groeit, die geplant zou zijn door Kukai zelf. Hij strekt, samen met een aantal andere reuzen, zijn takken uit over de oude trap naar de Hondo.
Ik voel al de hele dag dat langzaamaan het einde van de tocht gaat naderen. Terwijl ik mijn ogen dichtklem bid ik intenser dan ooit dat ik, eenmaal weer in Nederland, niet overspoeld word met de oude manier van denken en voelen en al het waardevolle dat ik hier opdoe niet in rook zal opgaan.
Hoe kom ik van mijn faalangst af?!
Op het moment dat ik die vraag stel heb ik het antwoord al. Maar ik besef dat het antwoord er al die tijd al was; toen ik op de eindeloos route langs Kaap Moroto liep; toen ik trap na trap bergtempels besteeg, gebogen bij Hondo's stond, maar eigenlijk al voor mijn reis, toen ik lamlendig op mijn bank in Amsterdam lag, ziek en teneergeslagen, wist ik het:
Als na alles dat hier beleefd en doorgemaakt is niets mij meer in de weg staat om te doen wat ik wil, en uiteindelijk ik en mijn faalangst overblijven, en de wurggreep van het 'te ver gelegen doel' mij dreigt te verlammen, dan blijft er één ding over:
Beginnen.
Maar, stap voor stap.

De enige manier om te doen wat ik wil, is door het stap voor stap te doen.

Ik loop weg van Daikoji. Er zijn geen kerkklokken die gaan beieren, geen juichende menigte langs mijn pad als ik verder trek. Alleen maar het plezier van buiten lopen.

Tuesday, 6 December 2016

Tegen de muur

De eerste avond na Matsuyama kom ik in een stil havenbuurtje aan bij een B&B die zich nog het best laat omschrijven - sorry dat ik het zeg - als een goedbedoelde klerenbende met een gestresste Japanner erin. Ik ontmoet daar ook, voor de tweede keer, een Australisch stel op de fiets en ben verbaasd dat ze mij niet al voorbij zijn.
Als ik de volgende ochtend afscheid van de eigenaar neem en belangstellend naar de naam van zijn hond vraag, kijkt hij me voor de zoveelste keer opgefokt aan en geeft zijn businesscard.
'I gave you this card last night', zegt hij kortaf. Dat klopt maar dat vroeg ik niet. Dus vraag ik langzamer naar de naam van zijn hond. Hij wordt geirriteerd en wijst weer naar die kaart.
'Here, i gave you my card last night!'
Ik voel een doodlopend moment aankomen qua geduld, pak mijn boeltje, buig kort en vertrek. Op straat bekijk ik die businesscard nog eens beter... Staat die verdomde hond erop! Zijn B&B heeft de naam van die hond.

Na Matsumaya hoef ik in principe nog maar dertien kilometer per dag te lopen, ik lig enorm voor op schema! Dat komt goed uit, want zowel mijn geest als lijf hebben dringend vertraging nodig. Mijn knieën doen pijn en ik wil vaak en veel schrijven!
De B&B die ik verlaat ligt aan een meerdaagse kustroute vanaf Matsumaya naar de op schitterende bergtoppen gelegen tempels achtenvijftig en zestig.
De  hele ochtend loop ik door sombere industriedorpjes, maar ik geniet! Drie jaar geleden liep ik hier midden in de nacht, door de regen, met een zaklamp mijn weg te zoeken. Nu zie ik wat ik toen miste, bloedmooie uitzichten over eilanden voor het vaste land van Hiroshima waar boven woeste wolken zich samenpakken.
In een saai, druilerig dorpje zit ik in een oase van een lunchroom als ik tot mijn verbazing die Australische fietsers weer zie aankomen. Die waren toch eerder vertrokken uit die B&B?  Als zij mijn verbazing zien, legt de vrouw van het stel uit dat ze, ondanks hun snelle fietsen, niet bepaald..eh... 'haast' hebben. We schieten alledrie in de lach en ik vertel hen van mijn 'vertragingsmodus' die ook mij geen klap verder helpt. We mediteren gezamelijk over het feit dat als zij mij al niet kunnen inhalen ze zich serieus moeten afvragen waar ze eigenlijk mee bezig zijn.
Ik opper: 'Genieten wellicht?'
We heffen onze koffie en toasten. 'Op het Grote Genieten!'
Na een leuk gesprek vertrekken de twee en schrijf ik nog een paar uur door.

's Middags boek ik een hotel voor de volgende stad, Imabari, en ik moet lachen om de overduidelijke hint van het lot. Want mijn enige optie in Umbari is een guesthouse... voor fietsers! Ik heb weinig gelopen vandaag, maar Ik heb zo maar een idee wie ik daar ga aantreffen.. En verdomd hoor, de luie varkens, als ik binnenkom - in overigens de leukste lodging van mijn hele reis - zitten daar aan de bar twee zwaar grijnzende koppies! Zweetloos en wel.
's Avonds gaan we met zijn drieën uit eten bij de Japanse grill en toasten we weer. Maar nu op de prille vrucht in haar buik...
Dàt is dus de reden voor hun lage reistempo.

De volgende dag volg ik de stijle route omhoog naar Senyuji, tempel achtenvijftig, een oud pad met verweerde beelden, bloenenperken en reusachtige bomen. Gelukkig is mijn rugzak lichter. Mijn knieën gaan me steeds meer last bezorgen, daarom heb ik spullen teruggestuurd naar Tokushima.
Ik blijf 'boven' slapen in het tempelhotel waardoor ik de volgende dag de ochtenddienst in de tempel kan meemaken. Drie jaar geleden maakte deze dienst een enorme indruk op me. Ik snakte naar rituelen, betekenis, reiniging wellicht. Deze keer word ik echter totaal niet geraakt. Maar dat verbaasd met niet omdat ik de laatste weken steeds minder behoefte aan spirituele momenten heb. Alsof de ruimte en adem die ik mijzelf nu eindelijk gun mijn dagelijkse leven genoeg plezier en diepte geeft.

De volgende dag, na de afdaling, ontmoet ik Yuko, een Japanse pelgrim, met wie ik momenteel het zelfde tempo qua lopen heb. Zij belt haar B&B, heel bijdehand - ik heb niets in te brengen - en dubbelt mij op op haar kamer. Gelukkig maar, want het stadje, dat aan de voet van de berg naar Yokomineji, tempel zestig, lijkt volledig volgeboekt die avond. Maar waar mevrouw lekker de trein daarheen neemt, loop ik het hele eind. Echter wel schrijvend in te veel cafe's. En dat laatste breekt me op. Met mijn tong in mijn nek kom ik nog net op een christelijk uur aan in de B&B, waar ik onder de douche de schrik van mijn leven krijg. Ik heb een bruine plek, over mijn hele  linker knieschijf. Een soort bloeduitstorting.
Eindelijk besef ik dat ik naar een dokter moet. En misschien kan ik die berg niet op morgen.

Maar eerst komt die dag van morgen. En dat wordt de meest verwarrende uit mijn hele tocht.
Ik eet mijn ontbijt in het cafe van een supermarkt. Daar chat ik met wat vrienden. Ik grap tegen Kelly dat ik mijn planning zo zeer aan het los laten ben dat ik over een week misschien wel in Tokushima zit om daar de rest van de tijd te schrijven, dat is namelijk ook pelgrimeren! Maar als ik de grap maak, besef ik dat ik geen grap maak. En ik denk voor het eerst aan de optie voortijdig stoppen. Dan stuur ik Rick een chat, over mijn knie. En de reactie die ik daarop krijg verandert mijn hele tocht in één klap.

"Dat klinkt niet zo goed (aangaande de voet). Mag ik je ter overweging meegeven dat je niet moet? Moet lopen. Moet afmaken van tocht. Gooi die drang in de zaken waar je je toekomst mee wilt vullen"

De laatste zin is in wezen niet meer dan wat aanmoedigende woorden, maar hij raakt me diep. Hij beschrijft haarscherp een aspect van mijn karakter waar ik mee strijd. Maar de woorden veroordelen niet en laten alleen een andere richting zien, zodat de energie van mijn karakter niet verloren gaat.
Het ontroert me als ik voor het eerst besef wat mededogen betekent. Mededogen naar mijzelf.

Ik herhaal de zin in mijn hoofd, een zucht komt uit mijn tenen en ik kijk naar in- en uitlopende klanten.
'Wat een reis', mompel ik glimlachend.
'Wat een vrienden, wat een leven. Dat ik dit allemaal heb'.
Mededogen naar mijzelf...dat is waar ik al zo ontzettend lang naar verlang en zo zelden voor mijzelf heb. Die woorden komen werkelijk op het allerbeste moment in mijn leven!

Ik hoop dat niemand mij ziet die ochtend, want ik ben net een soort vleugellamme vlieg, die rondtolt door de straatjes en geen richting kan kiezen. Ik ben zo van slag van alles dat de vragen, terwijl ik op een muurtje ga zitten, als een mortiervuur door mijn hersenen schieten. Ik voel de druk tot in mijn oren, zo overkookt zijn mijn hersenen. Als een kachel die gaat loeien bij een open raam. Ik ben in een vacuüm terechtgekomen. Een lege plek waar ik nog nooit keuzes heb gemaakt:
'Ik wil die berg op.. ja maar je knieeen dan... ja maar ik hou zo van klimmen..  ach donder op, je wil naar een hotel en schrijven... klopt, maar misschien mis ik dan een bijzonder moment daar hoog... Eikel!! Pak de trein naar een hotel, je kunt niet alle mooie dingen meemaken, overgefixeerde ADHD-er! Ga genieten en schrijf!

Dan keer ik de berg resoluut de rug toe en loop naar het station. Een uurtje later kom ik aan in het iets verderop gelegen Sajio, check in bij een hotel op een klein stationspleintje met een gezellige lunchroom. De volgende dag zit ik bij de dokter in het ziekenhuis. Na een scan komt hij met het goede nieuws dat er niets ernstigs is. Maar....u moet minder lopen en niet zo snel.
'Goh dokter, werkelijk dokter? Dat weet ik pas sinds ik uit de luiers kroop maar toch bedankt'.

's Middags zit ik weer in de lunchroom, de woorden stromen uit mijn vingertoppen.

Wednesday, 30 November 2016

Matsuyama, een liefdesverklaring.


Ik sta bovenop de laatste bergtop van het hooggebergte. Links beneden zie ik de zee en rechts beginnen de bergen weer. En daar tussenin gedrapeerd ligt Matsuyama, de hoofdstad van de provincie Ehime en mijn lievelingsstad op Shikoku. Ondanks dat ik haar nu al zie liggen duurt het nog anderhalve dag voor ik er ben. Voorpret heet dat!

Ik heb in de eerste helft van mijn pelgrimage te snel en te veel per dag gelopen. Het zit in het beestje en die gretigheid is niet de kop in te drukken. Resultaat is wel dat ik nu veel te vroeg in de reis in Matsuyama aankom. Daarom besluit ik - net als iemand met honger in een supermarkt - al twee dagen van te voren overvloedig 'tijd' in te kopen: ik boek vier nachten in 'mijn' stad. Kom ik die tijd wel door? O ja, als er maar genoeg cafe's zijn!
En die zijn er.

En zo daal ik af naar de stad waar zo veel pelgrims van over de hele wereld van houden. Mijn liefde zit hem echter in iets dat ik niet vaak aantref in grote steden. Het centrum van Matsuyama is in mijn ogen namelijk een ratjetoe aan 'pogingen tot stadplanning'. En bij pogingen is het gebleven. Dat maakt deze stad nou zo heerlijk. Want je wordt om elke hoek verrast. Het is als een onevenwichtig gerecht, waarvan je denkt, wie stopt in godsnaam deze ingrediënten bij elkaar! Maar als je het proeft is het lekker, ook al weet je niet precies waarom.

Nou wordt er so wie so op Shikoku, qua landschapsarchitectuur,  wat aangeklooid. Het oude en nieuwe worden gretig bij elkaar gekwakt alsof er geen geschiedenis tussen zit. Her en der worden betonnen wanden en nieuwe wegen om honderden jaren oude heiligdommen heengebouwd en op tempelterreinen vind je naast euwenoude gebouwen ook Disney-achtige wegwijzerfiguurtjes en drankautomaten. Tokushima spant de kroon met een reusachtig vierkanten, betonnen gebouwencomplex, zonder kleur en alleen in vierkanten; een bunker. Op de massieve togangsgallerij van dit gedrocht staat godbeterd een replica van een volledig trempelcomplex.
Ik bedoel maar.

Voor de derde keer ben ik in Matsumaya en het eerste waar ik, als pelgrim, langs kom is de indrukwekkende tempel Ishiteji.
Een beeldentuin trekt me uit de bezineluchten van de straatweg, binnen in de sfeer van contemplatie. Dan loop ik onder een donkere arcade naar de toegangspoort van de tempel en betreedt een groot, zanderig terrein waar her en der de imposante heiligdommen staan. Wat het echter zo speciaal maakt is de continue dikke walm van wierook die van rechts, uit een enorme stenen bokaal, om me heen valt. De bokaal staat voor een donker en mysterieus heiligdom.
Deze eenenvijftigste tempel heeft die speciale verdikking van zintuigelijkheid, die mijn spirituele beleving, net als in een Katholieke kerk, een aardse en bijna gevaarlijke lading geeft. Vreselijk aantrekkelijk.
Maar hoe ontnuchterend als ik daarna weer langs de straatweg verder loop en opeens tussen supermarkten, lelijke flatgebouwen en verkeershectiek terecht kom. Die weg loopt echter in een cirkel om een werkelijk schitterend parkje heen: Dogo Park. En dat is dan opeens een kleine oase van intense bloemen- en plantenpracht. Verlaat ik het park echter aan de andere kant, dan botst een brede verkeersweg al na een paar meter onlogisch op tegen een diagonaal in het straatbeeld geplaatst houten gebouwtje en eindigt daar ook. Dat gebouwtje is niet bepaald Japans. Wat het wel is weet ik niet, maar het hoort wat mij betreft, qua pastel-gekleurd hout, vierkanten raampjes en kokette metalen afwerking, thuis in het Parijs van het Fin de Ciècle. Het is een oud stationsgebouwtje en het begin van een tramlijn, Achter het gebouwtje prikt het rangeergedeelte van de tramlijn 'onhandig' in een lieflijk buurtje waar ook mijn guesthouse is. De oude, houten trammetjes, die men in veel steden op Shikoku in ere houdt, lopen vanaf hier de rest van het recht toe recht aan gebouwde moderne gedeelte van de stad in, waarbij zij niet altijd over de straten lopen, maar letterlijk huizenblokken slingerend doorsnijden en uitkomen bij onder andere Matsuyama Station, alwaar een klein koffiehuisje zit, luisterend naar de naam 'Aunt Stella' die koekjes verkoopt naar recepten uit 'Dutch County', USA. Oja, daarnaast staat weer een mega mall...

Lezer, heb je al een beeld van Matsuyama? Nee hè? Goed zo. Daarom is het nou zo'n ontzettend leuke stad!

Nog even hoor, want ik vergeet natuurlijk de belangrijkste attractie waar iedere Japanner voor naar Matsuyama komt: de Dogo Onsen, de beroemste hotspring van het land. Loop eens om het schitterende bouwwerkje heen en voel je even in het Japan van heel lang geleden. Maar kijk vooral niet verder om je heen want het icoon is ingesloten door de moderne stad, zoals de ingang tot een lawaaierige shoppingarcade, waar talloze toeristische winkeltjes hun waren aanprijzen.
Toen ik hier de eerste keer liep zag ik iets dat mij bijna deed struikelen over een peuter. Het was vrij stil en de weinige mensen die er winkelden, liepen tot mijn verbazing klikklakkend op houten slippers en.. in een kimono!! Huh, dacht ik. Ben ik hier op de een of andere vreemde manier per ongeluk in de shoppingmall van een vijfsterrenhotel terechtgekomen? Nee, het is een leuke traditie van de Dogo Onsen om de gasten na het badderen hier te laten rondlopen in hun badder-outfit. En ze hebben allemaal - mannen ook - een of ander verwijft houten bokaaltje aan een heel dik gevlochten touw aan hun hand hangen. Ik denk om hun aankkopen in te doen.

Afijn, ik beweeg mij drie dagen lang in de heerlijke 'onduidelijkheid' die Matsuyama heet en struin hippe koffieshops af, snuffel in smalle straatjes, ontmoet leuke mensen in het guesthouse en verhuis later naar een groot hotel.
Op de dag van vertrek hoef ik alleen nog de was te doen..

Ik denk die ochtend aan tien dingen tegelijk en loop gehaast met een tas vuile kleren en administratie naar de wasserette. Ik vul de trommel, druk op de knop en wil aan mijn administratie beginnen. Maar die kan ik nergens vinden. Ik had die toch...
O nee...
..In de tas met kleren gestoken. En die tas heb ik leeggekieperd in de trommel! Ik kijk als door een wesp gestoken in de trommel en zie een sneeuwbui aan witte vlokjes zich mengen met mijn kleren.

Slik...

Ik heb mijn mapbook, een notitieboek en mijn administratie -  in plastic holders! -  bij mijn kleren in de was gedaan. Het is, na zes weken hiken, de eerste stommiteit die ik uithaal, maar wel meteen een ernstige. Toch blijf ik uiterst koel en bereken de schade op belangrijkheid:
Kleren:.
Die zijn naar de knoppen want die plastic mappen smelten en leveren waarschijnlijk een soort geplastificeerde garderobe op. Oplossing? Outdoorshop.
Mapbook:.
Dat is lastiger. Als ik geen nieuwe kan vinden moet ik op mijn herinnering en de bewegwijzering lopen. Nog vierhonderd kilometer te gaan. Mmm.. Kan ik dat? Ja, sterker nog: dat vind ik wel een uitdaging! Moet ik meer op straat de weg gaan vragen, afhankelijkheid trainen en belabberde sociale contacten opkrikken. Karma? Wie weet, wellicht betekenisvolle ontmoeting in het verschiet? Alles is mogelijk.
Oplossing mapbook? Facebook!
Ttenslotte mijn handgeschreven administratie:
Niet zo belangrijk.

Ik wacht twintig zweterige minuten....
Als ik de trommel eindelijk kan opendoen slaak ik twee keer een zucht van verlichting. Ten eerste:  dank voorzienigheid voor de Japanse gewooonte om....koud te wassen! Mijn kleren zijn gered, want ik haal er het onaangetaste plastic tussenuit. Ten tweede: al mijn kleren, behalve mijn wollen sokken, zijn van papiervlokjes-afslotend materiaal dus dat wordt slechts flink uitklappen in de badkamer. Alleen mijn sokken van wol, dat wordt serieus peuteren.
Op Facebook zegt  Henro-guru David Moreton me dat ik naar Sen Guetshouse moet gaan waar ze me kunnen helpen een nieuw mapbook te vinden. Wel, dat pakt nog beter uit: ze verkopen ze zelfs!!
Moraal van het verhaal: haal alleen stommiteiten uit in grote steden.

Als ik de volgende dag vertrek heb ik een nieuw mapbook, een nieuwe notitieboek en opvallende pluizige sokken. Ik verlaat Matsuyama via de kustroute. Ondanks een heerlijke tijd daar voel ik me onrustig. Hoe ga ik deze heerlijke 'mentale vertraging' op ongeplande plekken, koffieshops en het schrijven, kortom, die nieuwe houding naar alles in mijn leven, hoe ga ik dat continueren zonder dwang, als ik terug in Nederland ben?
Hoe continueer je iets zonder dwang?

Saturday, 26 November 2016

Niet meer achterom kijken.

Het regent 's ochtends pijpenstelen in Uwajima als ik een chat krijg van Robert-John. Robert loopt steeds twee dagen achter op mij, maar omdat ik met mijn nieuw verworven levensinzichten om de haverklap in koffiecafe's eindig, heeft hij mij ingehaald en staat zo ongeveer onder mijn raam bij een siupermarktje! Ik pak mijn boeltje, daal van mijn hedonistische olympus af en voeg me bij hem en James, een Australiër. Vanwege het weer blijven we een dag extra in Uwajima.
Omdat zij in de gratis pelgrimshut verblijven, besluit ik sportief te zijn en mij bij hen te voegen. Maar de sterren stoppen niet meer mij te belonen, want de pelgrimshut blijkt een huis te zijn! Een heel huis, gratis voor pelgrims! Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt!
Als tegenprestatie - natuurlijk geheel vanuit altruïstische motieven - sleep ik de heren op mijn beurt mee naar Café Tao en ga me opnieuw te buiten aan patat met blauwe kaassaus, waar overigens - omdat ik het menu verkeerd las - een mega lap varken op ligt.

De volgende twee dagen trekken Robert en ik samen op en wat de eerste avond gebeurt is zo'n typisch voorbeeld van de magie van pelgrimeren.
Ons doel die avond is slapen in een officiële Henro rusthut, neergezet door de lokale overheid voor pelgrims. Er is verderop nog een hut, maar die staat in ons mapbook als regulier aangegeven en betekent meestal een overkapping met wat zit-units; geen plek om je slaapmat uit te rollen. Als we bij de officiële hut komen blijkt hij schoon en voorzien van banken om op te slapen. Maar.. hij staat naast een drukke snelweg en is tochtig. We zijn content, maar we besluiten 'voor de zekerheid' die reguliere hut even te checken. En dat besluit leidt van de ene verassing naar de ander.
Ten eerste staat die hut juist in een stille straat en is werkelijk über-fancy! Ik heb zoiets nog nooit gezien! Aan drie kanten beschut met een wand, een brede flonder om te slapen, bloemtjes, een tafeltje, foto's, het lijkt wel een mini-huiskamer.
Maar dan komt de eigenaar polshoogte nemen. De oude man raakt met Robert, die Japans praat, in gesprek. Dat loopt blijkbaar zo lekker dat we uitgenodigds worden om in een grote ruimte van zijn autobedrijf verderop te slapen! Heerlijk warm liggen we tussen wat losse rotzooi. We hebben een wc en water. Net bekomen van deze geste komt de volgende;  zijn vrouw trakteert ons op een overdadige maaltijd, met vlees, rijst en groenten.
Ik lig 's avonds in mijn rugzak bij te komen en fantaseer over die tochtige hut waar we bijna bleven. Zo kun je in het leven een steenworp verwijderd zijn van puur geluk, maar het nooit aanraken als je geen actie onderneemt..

De volgende dag lopen Robert en ik kwijlend op straat.
Wat is er aan de hand?
We hebben in ons mapbook een Mac Donalds gezien bij onze slaapplek. De combinatie vroege aankomst slaapplek - het is pas elf uur in de ochtend -  en Mac Donalds heeft een motiverende invloed op onze slijmvliezen. De Mac Donalds blijkt omringd door grote supermarkten, badhuizen en.. een bioscoop. We kijken elkaar stralend aan: dit wordt een 'westerse dag'; hamburger, friet en Hollywood!'.
's avonds zitten we na een matige Tom Hanks en stukken gefrituurde aardapppel tussen de kiezen bijzonder verzadigd in de slaaphut van een tempel. Niks mis met rijst, rijst en nog eens tempels, maar ik heb af en toe zetmeel en entertainment nodig!
De volgende dag gaan Robert en ik weer onze eigen weg. Ik ben blij alleen te zijn. Robert en ik hadden het erg gezellig, maar mijn' proces;, whatever it may be, zuigt mij steeds weer naar de eenzaamheid.

Na het kleine stadje Utchiko volgt de route een slingerende weg door een vallei richting het hooggebergte. De weg is niet opwindend; slechts hier en daar een gehuchtje aan de diep in de vallei snijdende rivier die de weg volgt. Het is deze weg waar ik al dagen tegen op zie. Drie jaar geleden overviel me hier een enorme vermoeidheid. Ik haalde het dorpje Owa, dat het begin van de schitterende route door de bergen betekent, echt maar ternauwernood en viel dood neer in een hotel. Het was de reis van veel innerlijke strijd en woede en in combinatie met die medogeloze twintig kilometer slingeren dwong me dat op de knieen. Omdat ik begin te beseffen dat ik niet meer voor afzien ga, maar voor genieten, loop ik de vallei in, wachtend op een bushalte.
Na een nacht regen is het opgeklaard en in de frisse kou van de vroege ochtend prikkelt een beginnende zon mijn huid. Ik zie hoe mooi de boerderijen in het mistige licht staan, ruik de bloemen en voel me klein door die berghellingen die machtig afsteken tegen de kraak-heldere hemel.
'Is dit die sombere weg van toen?' vraag ik me af. 'Het is juist een heerlijke route!. En ik voel me vitaal en vrolijk!'
Het valt me weer op hoe veel van mijn herinneringen aan mijn vorige tocht niet blijken te kloppen met de beleving van deze tocht. En de simpelste der simpele cliches komt bij mij binnen en ontsteekt een helder licht alsof ik opnieuw geboren word. Namelijk deze:
Ingmar, jij kijkt op tegen een situatie vanwege ervaringen uit het verleden. Je bent bang door een herinnering, niet door wat er nu gebeurt. Je denkt in het algemeen dat als iets in het verleden niet lukte dat dat nu ook niet lukt. Maar dat is onzin. Omstandigheden veranderen, jij verandert, dus ook mogelijkheden. Kijk vooruit waar je hart naar uitreikt en niet meer achterom waar je denken zich op richt.

...Kijk niet meer achterom...

Ik loop Owa binnen en eet noodles bij een roadstation. Ik weet dat er iets belangrijks is gebeurd. Maar de consequenties van die openbaring krijgen pas veel later hun betekenis en richting.

Alsof de natuur mij wil leren dat alles een antipode heeft, word ik in het hooggebergte juist teleurgesteld omdat het diepe, mysterieuze gevoel dat ik drie jaar geleden in de natuur en bij de tempels had, nu helemaal ontbreekt. Maar waar ik vorige keer het nabijgelegen bergdorpje Kuma Kogen een saai dorpje vond, vind ik het nu opeens supergezellig. En Garden Times - een soort Miss Marple hotel waar ik per ongeluk tegenaan loop - steelt helemaal mijn hart. En ja, Kuma Kogen is een klein rot-gehucht op weg naar de grote stad Matsuyama, maar what the hack; je vind het leuk hier? Nou, dan blijf je toch gewoon twee nachten!
's Avonds loop ik op straat in het stille dorp en voel me zo vrij!! Een behaaglijke koelte vanuit de bergen veegt aangenaam over me heen. En Ik voel me aangeraakt door iets dat ik helemaal zelf heb toegelaten.

Na een heerlijke tijd in Kuma Kogen en twee dagen dalen vanuit het hooggebergte naar de hoofdstad van Ehime, Matsuyama, ben ik in een totale vertraging terecht gekomen. Ik overweeg zelfs dat ik de pelgrimage niet hoef af te maken. Waarom zou dat namelijk moeten? Iemand een goed argument? Nee dus!
Maar langzaam de grote stad inlopend overvalt me wederom die waanzinnig fijne en relaxte sfeer van Matsumaya. En ik besluit vier nachten in mijn ievelingsstad te blijven, want ik weet van de vorige keer dat ik me nergens op Shikoku zo thuis voel als op deze heerlijke plek!
Wat ik nog niet weet is dat er een nacht bijkomt.
Omdat ik mijn mapbook uit mijn sokken moet peuteren.

Thursday, 24 November 2016

"Ohh... My... God!! Is that you, Ingmar?"


Het is al pikkedonker als ik een stille kruising in een buitenwijk van Sukomojõ nader. De enorme rusthut voor pelgrims lijkt verlaten tot ik een stem met een onvervalst west-coast accent hoor roepen:
"Ohh... maai... Gááád!!! Is that you, Ingmar?"
Ik schrik me rot.
Niet van het accent, maar van wat er uit de schaduw komt lopen, een soort... Franse markies. Zijn kleine bovenlijf draagt het strikte pelgrimstenue; wapperend wit shirt, witte handschoenen, strakke witte hoofdkap tot over de oren met strikje om de kin en de rieten punthoed. Maar volledig tegen het protocol in draagt hij een korte zwarte broek die bij de knieeen bolt, met daaronder een zwarte panty. Ik schiet in de lach omdat de zaak gecomplementeerd wordt met enorme zwarte wandelschoenen om zijn spichtige enkeltjes. Het is gewoon geen gezicht.
Als hij op mij afkomt lijkt alles aan hem van elastiek, zijn armen wapperen wuft en zelfs zijn grote oogbollen rollen alle kanten uit.
En deze halve markies op hiking-boots kent mij!

Hij heeft mijn youtube-filmpjes over Shikoku gezien. En na een enorme teug adem moet de rest er ook even uit:
"Ingmar, it's so a-maaazing to meet you! It just makes like sense, you know? Meeting you completes in some weird way my trip before it even ends. I have so been inspired by your depth...your emotions....your.... And now i meet you in person! It's so amaaaazing!"
Nou houd ik er best van om in het zonnetje gezet te worden - part-time narcist als ik ben - maar deze lofzang gaat zelfs mij te ver, zeker omdat hij, zonder enige sociale antenne, zwaar mijn aura inloop. En dat irriteert me.
Omdat het erg laat is, besluit ik toch te blijven. Ik demp zijn hysterische aanhankelijkheid door mij volledig te richten op zijn reisgenoot, een jonge Fransman. Hij begrijpt de hint en komt met een sigaretje tot rust.
Even later, na een overigens leuke avond met bier en mooie verhalen, zie ik hem tot mijn schrik - en notabene in dat halve pelgrimstenue - in een goot naast het woonhuis piesen. Met een sigaret schuin in zijn mond. Ik realiseer me dat hij in zijn eigen wereld leeft, waar ik kort in figureerde, zodat hij iets 'amazings' kon voelen. Nu is dat rook en het legen van zijn blaas. Zeker, hij hoort het openbare toilet te nemen, dit kan hij echt niet maken. Maar ik betrap mij op een onlogische ontroering voor deze uiteindelijk warmhartige Amerikaan. Ik zie hem op de rug en bedenk dat Iets ook hem helemaal naar dit eiland dreef, net als het mij deed.

De grens tussen de provincies Kochi en Ehime ligt op een hoge berg, via de beruchte Matsuo Tōge pas. De route omhoog begint door lieflijke bergdorpjes, met boerderijen en fruitgaarden, maar eindigt in een genadeloze klim - zonder onderbreking! - van achthonderd meter over maar liefst tweeentwintighonderd meter! Ik herinner me deze passage nog van de eerste keer en ook nu kom ik totaal doorweekt aan bij de ruine van de Matsuo Daishi. Daar zit ik een half uur met ontbloot bovenlijf terwijl mijn shirts in de wind uithangen.
Gelukkig is de weg naar beneden een heel ander verhaal en ook onverwacht een kentering in mijn bewustzijn.
Na lange dagen van regen is dit de eerste ochtend met zon en als ik langs de flank afdalend de vallei zie, haal ik diep adem en voel me licht. De diepte van de vallei, de majestueuze bergen op de achtergrond en het blauwe hemeldak daarboven hebben een verhouding die dezelfde intensiteit lijkt te hebben als de verhoudingen van de tempels die ik bezoek. Het is geen religieus gevoel, maar meer een plotseling inzicht hoe alles dat door de natuur en zijn soorten is gebouwd één is. hoe het uitdrukking is van één grote samenhang van verhoudingen en betekenissen. En door dat gevoel van heelheid, terwijl ik me lopend onderdeel voel van deze verhoudingen, besef ik waar de verhouding en betekenis van mijn eigen leven eigenlijk toe leidt, wat ik dus eigenlijk het liefst doe, omdat het bij wijze van spreken bijna mathematisch bepaald is.
Maar om dat toe te laten en te consolideren wil ik dus iets loslaten.

En ik kan meteen aan de slag. Mijn plan was om bij tempel veertig in de gratis pelgrimshut van de tempel te slapen. Nou, niet dus, ik wil privacy internet om te schrijven en ik heb zin in NPO. Een paar uur later lig op een heerlijk bed, met een zootje snacks om mij heen.
De volgende dag loop ik langs de kust op weg naar een bekend park waar je fantastisch kunt kamperen of in rusthutten slapen. Maar het is een afgelegen park, een uitloper van een bergketen die in de zee eindigt. Dus veel dicht bos aan beide zijden van de weg, met vandaag donkere regenwolken boven me, kortom, wat een eenzame boel hier als ik in de schemer nader. Dacht het dus niet, he.
Een half uur later sta ik bij een bushalte. Maar ingmar en loslaten, dat gaat zomaar niet. In de veertig minuten voor de bus komt tetteren twintig verschillende stemmen in mijn hoofd tegen elkaar aan, besluit ik tien keer terug te gaan uit schuldgevoel en wil ik elf keer die bus nemen. Naar een hotel. Ik sta te tollen op mijn voeten en mijn hersenen koken over. Jezus, wat is er mis met mij!! Wat doe ik toch moeilijk! Hebben anderen daar ook last van? Iemand als Dennis zet gewoon lekker zijn tentje op in al die eenzaamheid. En iemand als Elly zal gewoon zonder enig schuldgevoel een warme Ryokan nemen omdat ze vind dat ze het verdient. En ik?
Ik sta te analyseren wat ik mentaal en spiritueel nodig heb!!
Mafkees.

Een paar uur later krijg ik het antwoord op mijn hotekamer in het gehuchtje Tsuchima. Ik realiseer me, eigenlijk zo simpel, dat ik geen luxedier ben dat moet leren afzien. Ik ben gewoon iemand die niet van afzien houd. En voor wie mij kent: dit is een mega-inzicht. En opluchting.
Ik houd niet van afzien. En daar is niets mis mee.

De volgende dag loop ik op een bergketen af, met een pittige klim voor pelgrims. Maar de beest is los. Ik heb zo intens genoeg van die klote-terrorist in mijn hersenen, dat ik kies voor de tunnel door de berg heen. Het is overigens de langste tunnel die ik ooit liep -  zeventienhonderd meter! - maar ook meteen de eerste sinds mijn reis waar de airconditioning niet werkt.
Moet mij weer overkomen. Als een platgetrapte sigaret kom ik die tunnel uit maar zie rechts een werkelijk heerlijk cafeetje liggen, dat luistert naar de veelbelovende naam Pépé.
'Kijk, deze stek was ik niet tegengekomen als ik die zweet-toer door de bergen had gedaan. Inzichtelijk momentje voor debuterende de-perfectionist:
Ik word dus beloond en niet gestraft.'

Trouwens, Shikoku grossiert rijkelijk in kneuterige cafeetjes. Perfect voor de sentimentele eikel die ik ben. Bloemen bij de ingang, een kastje met boeken, een schemerlamp, zachte verlichting. Kleine tafeltjes, gordijntjes. Zelfs de muziek is van een bedenkelijk tingeltangel-niveau. Ik denk dat ik in de verkeerde eeuw ben geboren en eigenlijk in het permanent kerst vierende Engeland van de 19de eeuw had moet zitten.

Een uur later - en nog een cafe-break verder, want ik ben niet meer te stoppen - kom ik aan in Uwajima. Ik twijfel geen moment meer; hoezo gratis pelgrimshut? Donder op! En hop, ik check weer in bij een hotel.
Uwajima vond ik drie jaar geleden trouwens helemaal niets. Ik ben aanvankelijk dan ook verbaast dat ik het nu zo'n hartikke leuke stad vind, met gezellige winkelstraten, een pittoresk stationslein en leuke mensen. Tot ik besef dat ik drie jaar geleden als een malloot door die stad stoof, op de hielen gezeten door vijf dagtargets en reeks spoken uit het verleden en mijn heilige lodging-planning. Ik kom blijkbaar eindelijk tot stilstand.
Die middags krijg ik weer een beloning. Maar deze keer is het menens.
Ik ben gek op Japans eten, maar na een paar weken komt de rijst uit mijn oren. Als ik 's middags, de tijd vergetend, ergens zomaar een lunchroom instap - Café Tao - kom ik in een hippe joint met werkelijk verukkelijk westers eten. Maar dat is niet alles. Ze serveren zelfs... (betekenisvolle stilte)... patat... met.... blauwe kaassaus.

Ik ga dood van geluk. Want ik begrijp het opeens.

Uwajima is het einde van de onzekerheid over mijn koers. Er is iets gebeurd. En ik vraag me af of er één doe-het-zelf-guru is op de wereld die ooit op het idee kwam, dat het zaadje van zelfrelisatie kan ontstaan door  zoiets als...
Het eten van patat met blauwe kaassaus.

En dit is, serieus, geen grap.

Friday, 18 November 2016

De Drie Herbergen

"Jij zit niet toevallig in Kochi stad en zin hebbende in curry vanavond?"
Ik kom net aan in Kochi-City of Kelly staat op de chat. Ze heeft haar laatste avond op Shikoku. Of ik 'zin hebbende'.. Een paar uur later zitten we in mooie gesprekken, rijkelijk bier en thank god geen curry.
Ik breng twee rustdagen door in Kouchi City met schrijven en internetten. Een perfecte stop behalve die jeuk die niet weggaat. Nou is het herfst op Shikoku en dat betekent mieren, spinnen, muskito's en ander vaag spul met vleugels waar ik de naam niet van weet.

Als ik de stad weer verlaat loop ik het landschap van een half jaar geleden in, toen reizend met vriend Rick. Ik besloot hier te stoppen met mijn relatie. Nu, een half jaar later, herinnert elk pad, elke tempel en elk rijstveld mij pijnlijk aan mijn ex. Het is de aanleiding voor een wekenlang gevecht in mijn hoofd: zorgen om hoe ze zich nu voelt versus de energie die ik in mijzelf wil steken. 
Maar eenmaal in de tempels gaan mijn gedachten steeds sneller, gulziger, naar mijn eigen belangen en wensen, alsof ik een droge spons ben. Elke vrije ademhaling van mijn hart in de richting van een ideaal of de uitwerking daarvan, is, zolang ik mij kan herinneren, verstikt geraakt. Snakkend naar zuurstof word ik uit de gevangenis van denken via analyses geperst en kom ik terecht in het vrije veld van voelen in beelden. 
Beelden...de tempels op Shikoku krijgen eindelijk betekenis voor mij. 

Het regent al de hele dag als ik 's avonds aankom in het pelgrimshuisje van Tanemaji, tempel vierendertig. Ik ontmoet Tak, een dertigjarige Japanner, die ik in de dagen daarna steeds tegenkom. De volgende dag loop ik weer in de regen, maar het boeit niet want in Tosa City zit, wat rustig bescouwd mag worden als de meest wellustige tearoom op Shikoku!
In Azië hanteren ze in broodjeszaken het doe-het-zelf principe. Je pak een dienblaadje en een tang, maakt tussen de schappen je keuze  en rekent af.  Echter, in Azië  heeft het woord 'brood' een iets andere betekenis dan bij ons, namelijk: 'witte spons die bij eerste kauw instort tot kledderige bal meel'. Een sneu feit waar je je als Nederlander aan moet overgeven als je daar reist.
Wel, deze tearoom is niet alleen een uitzondering in kwaliteit, maar vooral in kwantiteit. Bij binnenkomst loop je namelijk tegen een zo overweldigende hoeveelheid broodjes, cakes, rolletjes, sandwiches en koekjes aan, dat je, als een kind in Jamin, blokkeert. Serieus, ik sta minuten lang, met een leeg dienblad, meer dan vijfitig verschillende broodjes aan te staren. Ik kijk vervolgens naar de verkoopster, maar die weet het ook niet meer. 
Dus ik focus, beheers en met 'slechts' drie broodjes ga ik in de tearoom zitten. Pas twee uur later vertrek ik, want die broodjes activeren als een dolle mijn creativiteit. Ik heb mijn eerste blog geschreven.

's Avonds lig ik in een vochtig bushok, waar Tak ook weer is. Het is een warme nacht van vechten tegen muskito's, jeuk en voorbijrazende vrachtwagens. 
Daarna volgt een dagenlange route naar Iwamotoji, tempel zevenendertig. Eerst langs vissersdorpjes, maar dan algauw langs één weg die tussen bergketens door kronkelt. Het wordt een hel, want ik neem een route in de bergen die mij gruwelijk lang laat klauteren. Halverwege ben ik doorweekt en geef ik mij lacherig over aan de overhitting en hopeloosheid van deze veel te warme maand oktober. Ik laat los.

Ik slaap in een pelgrimshuisje bij temple zevenendertig. De volgende ochtend vroeg trakteert een schuchtere herfst mij op het meeest mystieke en ontroerende schouwspel van morgen-mist en bergketens. Ik geniet, ook omdat ik de energie van mijn herontdekte kracht voel stromen. Maar die aanhoudende jeuk drijft me op; ik loop te snel en te veel. En blijf dat doen.

Er zijn veel pelgrims op de been, maar Ik mijd ze als de pest, een paar uitzonderingen daargelaten. Ik wil het liefst de hele dag alleen zijn. 
Natuurlijk ontkom ik niet aan een praatje hier en daar, maar ik merk dat ik totaal geen interesse heb en gesprekken bot afbreek. Ik ben zo intens gevuld met het doorgaande proces in mijzelf, dat ik elke rimpeling in die stille vijver als storend ervaar. En alsof het op mijn voorhoofd staat wordt ik gaandeweg de tocht steeds minder aangesproken en ervaar ik voor het eerst dat ik mijn creatieve potentieel in bescherming neem. Waar ik me vroeger liet afleiden vanwege schuldgevoel naar de ander kom ik nu in mijzelf terecht en beleef de gelukzalige en positieve kracht van egoïsme.
Duidelijker gezegd: iedereen kan de heen en weer krijgen.

Ik slaap in een mooie hut op de dijk van de Shimanto Rivier, een brede rivier, met schitterende bergen op de achtergrond. Het is al laat als ik eten haal en een jonge Japanse pelgrim vertwijfeld op zijn kaart zie kijken. Oh, wat heb ik een behoefte om hem niet van mijn hut te vertellen, zodat ik lekker alleen ben! Maar ik besef dat ik dat echt niet kan maken. Ik ijsbeer wat heen en weer en spreek hem toch aan. Hij is dolblij als hij de mooie hut ziet.
Terwijl we praten besef ik opeens waarom ik anderen als storend ervaar. Het gesprek begint algemeen, maar door mijn manipulatie verandert het in een gesprek over hem. Ik besef dat ik dat vaker doe, ook als ik geen interesse heb! Is dit mijn geniale comfort-zone, dit razendsnelle richten op de ander?
De volgende ochtend krijg ik de rekening, want het kost me enorm veel moeite om van die jongen, die bijna verliefd om mij heen blijft hangen, af te komen.
Dit gaat mij niet meer gebeuren, besluit ik. Nooit meer. 

En dan is het zover. De dag die mijn voorlopige dieptepunt wordt. 
Het regent, het is uiteraard warm en 's middags, bij de zoveelste bocht van de kustroute naar tempel achtendertig, neem ik de bus naar Tosa Shimizu. Vloekend, jeukend en zwetend kom ik aan in een verregent vissersdorp. 's Nachts wordt ik helemaal knettergek van de jeuk wakker.  Eindelijk kijk ik in de spiegel en zie overal bulten op mijn rug.

De volgende ochtend zit ik in een witte, rustgevende ruimte van het lokale ziekehuis, en geef ik mij helemaal over, alsof een knoop eindelijk wordt ontward.
De dokter bevestigt mijn vermoeden van 'bedbugs'.
Opeens reiken van alle kanten handen naar mij uit. Ik laat het me welgevallen. Handen reiken mij een balsum voor herstel van de bulten, andere handen reiken mij anti-jeuk zalf en iemand geeft mij zelfs wat ik nooit verwacht had te kunnen vinden, zeker niet in een ziekenhuis; spray voor niet-vliegende insecten. Terug in het hotel wast de eigenaar mijn kleren op zestig graden en krijg ik een nieuwe kamer. 
De volgende dag verlaat ik, ondanks de regen, opgelucht en dankbaar Tosa Shimizu en kom een paar uur later aan op de kaap van Ashizuri, bij Kongofukuji. Tempel achtendertig. 

Het is daar dat ik een mystiek moment heb dat ik niet wens te rationaliseren.

Bij de hondo is mijn hele hart bij mijzelf. Ik vul mijn geest met beelden en het voelt licht. Bij de daishdo neem ik extra tijd. Ik bedank al die mensen die mij hebben geholpen. Ik voel intense dankbaarheid.
Als ik klaar ben wil ik, vanwege de regen, de bus nemen. Maar ik aarzel. Ik kijk door de poort naar de regen en maak me opeens geen zorgen meer om de dag, lichamelijk ongemak of een slaapplek. De toekomst wordt niet vernauwd door blokkades, angst en noodlot, maar is een open terrein waar ik, nu ik eindelijk begin te genieten kan doen wat ik wil! Genieten zorgt voor veel meer keuzes dan opgelegde plicht!  Ik doe mijn regenjas en broek aan, loop de poort onderdoor, buig naar de tempel en ga.. in de regen lopen!
Maar ik heb nog geen twee stappen gezet of de regen houdt, na dagen, opeens op. Ze komt voor dagen niet meer terug.
Ik ben niet verrast. Ik bedankt de omstandigheden en mompel van binnen: 'Natuurlijk, zo hoort het te gaan'...

..net als de epiloog:
's Avonds, bij Okinahama Beach, loop ik in het donker het terrein van B&B Tabiji op. Ik kijk door het raam en zie in het gezellige licht van warmte en huiselijkheid het gezicht van Robert-John! De B&B is vol, maar Robert regelt dat ik op zijn kamer lig. De volgende ochtend ga ik op weg naar de derde provincie; Ehime.

Friday, 11 November 2016

Het nutteloze pad

Hij leeft aan de voet van een dicht beboste berg. De berg is opgebouwd uit verplichtingen en schuldgevoelens die hij vanaf zijn jeugd heeft opgestapeld. Een nutteloos pad gaat de berg op naar een tempel zonder inhoud en een nutteloos pad leidt weer omlaag. Dag in dag uit loopt hij het pad omhoog. Als hij terug komt begint hij weer opnieuw. Achter de berg is een weids veld. Soms kijkt hij naar de kinderen die daar spelen in de zon. Hij glimlacht en herinnert zich een onbekend verlangen.
Iets ouder begint hij tussen zijn beklimmingen door te rusten, zodat hij zich even niet verplicht en schuldig hoeft te voelen. Dan doet hij alle deuren dicht en droomt. Maar het helpt niet. Na het rusten is het schuldgevoel nog groter dan daarvoor.
Jaren gaan voorbij. Hij krijgt rimpels en ook dunner haar. Het rusten duurt steeds langer en zijn rustplek raakt langzaam overwoekert door struiken. Op een dag kijkt hij in de spiegel en heeft tranen in zijn ogen. Het schuldgevoel en de verwarring zijn zo groot geworden dat hij niet meer weet of dat nou door het nutteloze klimmen of het rusten komt.

-----

In mijn tweede week verlaat ik, eindelijk alleen, mijn hotel in Tokushima en wandel vier dagen in het lieflijke landschap van de gelijknamige provincie, op weg naar mijn oude vijand; de provincie Kochi en dan met name Kaap Moroto. Ik slaap 's avonds in een rusthut op de parkeerplaats van een Michi No Eki, een service-stop voor reizigers. De volgende dag moet ik de berg ernaast op voor de beruchte tempels twintig en eenentwintig. Ze liggen op een hoge bergtop..maar ehh.. niet op dezelfde bergtop. Er zit een diepe vallei zonder accomodatie en voedsel tussen, dus met extra eten bikkel je op één dag twee keer straf omhoog en omlaag; twee keer vijfhonderd meter over dertien kilometer. Oja, het is ook erg heet en de luchtvochtigheid passeert de negentig procent.

Het slapen op straat is een aparte beleving. Terwijl mensen om mij heen inkopen doen, op weg naar hun gezin, vouw ik alleen mijn slaapzak uit. Deze keer overigens met een medereiziger, een oude Japanner. Eenmaal donker sluiten de winkels en wordt het stil op de parkeerplaats. Daar zitten we dan, met sushi en een biertje. Even later loop ik naar het - in Japan zeer vaak superschone - openbare toilet. Schichtig kijk ik of ik iemand zie aankomen. Als ik mij veilig waan, ga ik snel naar binnen, laat alles onder de riem zakken en was mijn onderlijf, daarna de rest.
Ik heb altijd moeite om te blijven slapen in een openbare plek op straat of in het park. Als ik het doe is het een pingpongen in mijn hoofd om die plek 'mijn' plek te laten worden. Daar zijn de rituelen van eten en wassen voor nodig. Als ik daarna in mijn slaapzak kruip is de plek 'van mij'.
Het is een ongewoon, maar heftig gevoel van vrijheid.

De volgende dag is het zover, ik zweet berg op en af en weer op...
Tempel eenentwintig is een van mijn vijf favoriete tempels. Hij bestaat uit een groot aantal gebouwen dat op die hele hoge top ook nog eens op verschillende niveaus is neergezet. Door de hoge bomen, die het geheel een rustige grandeur geven, hangt er altijd een wat blauw-grijs licht, dat in combinatie met de reflectie van de lichte tegels een bijna maanachtige waas veroorzaakt.

Na een paar dagen kom ik bij tempel drieëntwintig. in het kustplaatsje Hiwasa. De tempel kijkt schitterend uit over het stadje en de zee. Het is de laatste pleisterplaats voor die hele lange, eenzame tocht langs de kustroute van Kaap Moroto.
Door de zee verandert de hele sfeer, het is uit met de lieflijkheid. Twee keer eerder liep ik Kaap Moroto. De eerste keer vluchtte ik, na twee weken pelgrimeren, terug naar Nederland. Een half jaar later kwam ik terug en hield stand. De chliché gaat dat je in Tokushima 'slechts' inloopt. Je oefent het tempelleven en traint je lijf. Na wat zweten op hoge bergen voel je je het mannetje. Maar dan komt Kochi. Daar valt niets te oefenen.
In Kochi leer je dat pelgrimeren niet over oefening gaat, maar over de afwezigheid van oefening.

Die kustroute, waar ik zo'n twee á drie dagen langs loop, kent door de aanleg van een superhighway in de bergen, alleen nog sporadisch lokaal verkeer.en daarmee bijna geen bedrijvigheid. De voetgangerspaden, afgescheiden door vaak verroeste hekken, zijn overwoekerd door onkruid, evenals de leegstaande restaurants en hotels, die als lege karkassen doen denken aan een Japanse horror-film, waarbij ik soms onwillekeurig in het donker van de ramen kijk of ik een geest zie. Metershoge bemoste betonwallen tegen bergflanken, troosteloos stille vissersdorpjes met lelijke metalen kranen en roestige boten, het houdt niet op
De zwart-zandige stranden, met betonnen protectie wallen in het water tegen tsunami's, doen potsierlijke pogingen om met overwoekerde parkeerplaatsjes, bonkige picknicktafels en leegstaande touristenstalletjes de indruk te wekken dat je hier gezellig een dagje strand kunt gaan doen. Deze misplaatste suggestie maakt de depressie eigenlijk alleen nog maar erger.
Nee, ik voel me hier altijd weer depressief en moet om het uur aan mijn eigen sterfelijkheid en die van mijn familie en vrienden denken, aan het onvermijdelijke feit dat alles van waarde in mijn leven ooit voorbij gaat, dat mijn tijd met mij ex-vriendin nooit meer terug komt en dat er ooit een tijd komt dat ik niet meer herinnert word.
Gatver...
En dan heb ik nog niet eens al die begraafplaatsen genoemd die hier om de vijftig meter voorbijkomen.

Ik slaap in een rusthut en de volgende morgen sta ik op in een plensbui. De regen loopt in stralen over het mos op de betonwallen, ik word door een voorbijrazende vrachtwagen niet gespaard, heb een paraplu die lekt en zweet door de extreme luchtvochtigheid zowat uit mijn regenpak. En ik loop maar door en maar door...
Als ik dan eindelijk moet schuilen is het enige afdak dat van een van die leegstaande horror-hotels. Ik zit geplakt tegen de stoffige deur, waar boven het raam uitzicht biedt op een sombere toonbank, met links en rechts donkere gangen.
Jezus, waarom ben ik hier? Waarom zit notabene ik, die in 2013 bewezen heeft deze ellende-route aan te kunnen, nou verdorie mijzelf weer zo  te straffen? Ging deze nieuwe pelgrimagetocht niet over mijzelf en wat ik eigenlijk graag doe? 'Zeker', zegt mijn vaste huisduivel, 'maar je geeft altijd op en daarom moet je hem nog een keer lopen, zelfs in deze regenb....'

Donder op!, freak
Opeens breekt het.
Ik zit hier in de regen een oude wond open te krabben. Waarom?

Langzaam verdwijnt het geluid van de regen en herinner ik me de eerste tempel Ryozenji. Ik voel de warmte van de kaarsen en de wierook. Ik wacht bij de Hondo even tot ik alleen ben en steek dan een kaarsje op voor mijn ex-vriendin. Met het aansteken van die vlam laat ik misplaatste schuldgevoelens en zorgen om haar welzijn achter in de tempel, zodat ik met de essentie van wat goed tussen ons was kan vertrekken en er zo helemaal voor mijzelf kan zijn. Want zoveel weet ik wel, dat deze tocht voor mij is en voor niemand anders. Drie jaar geleden was deze tocht voor al diegenen met wie ik nog een rekening te vereffenen had. Ik was vaak boos, huilde en had lange gesprekken met familie - dood en levend - vrienden, ex-vrienden en ga zo maar door. Hoe meer ik mijzelf mentaal en fysiek afbeulde op de route, hoe bozer ik kon worden en hoe ontvankelijker ik was voor  weggestopte gevoelens.
Ik nam tijd om achterom te kijken en dat was goed.
Maar nu voel ik me anders. De rekeningen zijn vereffend en ik voel een branden verlangen mijzelf volledig centraal te stellen. Omdat het namelijk de  hoogste tijd is. En ik weet dat dat niet van nature gaat bij mij.

Ik zucht.
God wat een volstrekte nutteloze administratie heb ik gepleegd, over zoveel jaren, voor iedereen behalve voor mezelf!!
.
Ik sta op, loop nog wat onwennig met deze plotselinge rebellie naar het volgende treinstation en neem de trein naar leuker oorden; donder een eind op met je rotweg!  Ik ga pelgrimeren! Echt pelgrimeren! En dat gaat niet over bewijzen dat ik iets kan volhouden, dat gaat over situaties scheppen waarin ik per dag doe wat leuk, gezellig en inspiratief voor mij is!. Ik ga deze reis vieren, bedrinken, bezingen en....ik heb zin om te schrijven!
Zo reis ik via slaapplaatsen als shinto-tempels, rustuisjes, B&B's en mijn lieve vriendin Misono, die een heerlijk guesthous runt in Tano, langzaam door naar Kochi City. En jazeker,, ik neem nu vaker de bus en de trein. En mocht ik het hiermee mezelf te makkelijk maken, wel, just let me know and i will suffer!

'Slik'.
Had ik dat maar niet gezegd.
Ergens in mijn zegetocht naar Kochi City loop ik tegen een persoon of rustplaats aan waardoor iets uit een rugzak, dan wel slaapgerei op me overspringt.
En dat 'iets' jeukt...

Sunday, 6 November 2016

De Stoep..

Ik loop door de grote houten poort en verlaat het tempelterrein van Ryozenji. Het indrukwekkende gebouwencomplex ligt verborgen achter bomen aan een wat saaie straatweg die het dorpje Bando doorkruist. Je zou niet zeggen dat dit het begin is van een beroemde, twaalfhonderd kilometer lange pelgrimstocht.
Het is 2012 en ik ben voor de eerste keer op Shikoku. 
Ik heb net, ook voor het eerst, de tempelrituelen uitgevoerd. Maar nu ik de warmte en vriendelijkheid van medepelrims en de monniken achterlaat, voel ik me alleen. Het miezert en de straatweg ziet er nog grijzer uit dan hij al is.
Mijn blik gaat naar rechts waar een stoep begint die langs de straatweg meeloopt en achter een pelgrimswinkeltje verdwijnt. Hij is van asfalt en in de berm loopt een goot mee die bedekt is met zware puttegels. Betoverd bekijk ik de onbeduidende opstap naar die stoep. Daar begint letterlijk een acht weken lang avontuur, mijmer ik, dat na een cirkel over het enorme eiland, hier weer eindigt. 
Ik loop langzaam naar de stoep en stap erop. Als ik vervolgens nog één keer omkijk naar Ryozenji gebeurt het.
Ik hoor en zie de pelgrims, monniken en bezoekers zoals daarnet, maar het beeld klopt niet meer. Ik kijk om naar de eenzame weg voor mij en dan weer terug naar de tempel, maar het gevoel gaat niet meer weg; ik sta nog steeds een paar meter van de tempel, maar ben in feite ergens anders. Ik ben 'in twaalfhonderd kilometer' terecht gekomen en kan niet meer terug.

Eind september 2016, precies vier jaar later, reis ik voor de vijfde keer naar Shikoku. Maar van magische stoepen en geluksgevoelens is absoluut geen sprake. Na een dienstvlucht vanuit Singapore vlieg ik dezelfde dag vanuit Amsterdam door naar Osaka en tuimel bijna achteloos het vliegtuig uit, rijd met twee nachtvluchten achter mijn kiezen met de limo-bus naar Tokushima, de hoofdstad van Shikoku, check in in mijn hotel en volledig over mijn slaap heen ga ik maar naar buiten. 
Ik sla vanaf de drukke weg een klein straatje in omdat ik aan het einde een Jinja tempel zie. Opeens is er geen verkeer meer maar stilte; de eerste stilte na drie dagen 'reis-rumoer'. Ik zie mezelf in de reflectie van een winkelruit. Ben ik echt iemand die duizenden kilometers vliegen nodig heeft om in een klein straatje, op een afgelegen eiland in Japan, dan eindelijk tot rust te komen? Terwijl ik het terrein van de tempel betreed besef ik dat dit niet het begin van een reis is; ik heb me gewoon verplaatst. Ik en mijn getergde zelf. Zonder enig plan en verwachting.

Alsof de sterren anticiperen op mijn gemoedstoestand loopt alles in deze eerste van negen weken anders. Na een te laat, en dus overhaast, begin van mijn tocht -  omdat ik letterlijk een minuut na het verlaten van mijn hotel ontdek dat mijn rugzak kapot is  - zal ik in deze eerste week twee keer terugkeren naar Tokushima en dus de 'energie' onderbreken. 
De eerste keer is na twee dagen wandelen, omdat ik heb afgesproken met drie pelgrim-vrienden voor een avond 'bieren en karaoken'. Het wordt een hilarische avond in een soort van dark-room, waar de langharige filosoof en Japankenner Dennis, die ik ooit leerde kennen als een spichtige vegetariër, zich ontpopt tot een heftige head-banging 'grunter' die het ene biertje na het ander achteroverslaat alsof het pepermuntjes zijn. Dan de bedachtzame Rober-John die een ontwapenende voorliefde voor oude jazz en Disney blijkt te hebben en - knaller van de avond - de stoere 'one-of-the-boys' Kelly die bij het eerste nummer via een perfect getimede move verandert in een sexy lijf waar een ras-performer in zit. Mijn bek valt open. Lekker ding, die Kelly!
Ik geniet zeker van de tomeloze energie om me heen, maar voel dat ik door het leeglopen in het afgelopen half jaar de schijn niet meer kan ophouden. Ik houd Dennis wel bij qua bier, maar voel me oud en onzeker bij deze 'jonkies'. Helaas komt dat maar van één kant, want de drank en het head-bangen heeft van de filosoof een overmoedige coach gemaakt die mij, 'hondenogerig' aankijkend de vertolking van een Billy Joel inlult. Ik trek mijn keel open en geef veel maar niet alles. Liefdeliedjes zijn momenteel kwetsbaar terrein en ik ga die guppies geen tranen geven.
De muzikale bonding heeft zijn werk gedaan, want de volgende dag loop ik, ondanks het feit dat ik alleen wil zijn. met Dennis een aantal dagen de bergen in, verder waar ik gebleven was. Robert-John sluit zich later aan als we in het laagland een stuk of vijf tempels aandoen. Erg gezellig, maar naarmate we meer tempels bezoeken lijkt het wel of ik meer en meer in de tocht 'getrokken' word. Het is alsof de rust die de wierookgeur mij geeft, mijn verlangen dieper in mijn hart zuigt.
's Middags keer ik voor de tweede terug naar Tokushima om een typhoon - die nooit komt - af te wachten. Wederom bier en gezelligheid.
En tussen al dit heen en weer reizen moet ik ook mijn oude rugzak, plus een gesneuveld keyboard vervangen.
'Tempelen, Bieren en Shoppen' wordt dus het motto van deze week? Nou ja, ik laat alles gelaten over mij heen komen. Geen verwachtingen toch? Dat had ik met mezelf afgesproken?

Maar Shikoku zou Shikoku niet zijn als het niet alleen met de verwachtingvollen, doch ook met de verwachtinglozen, grondig de vloer aanveegt.
Tussen tempel zes en zeven, op mijn tweede dag, kom ik langs Kumano, een oude, sobere shinto tempel, die op een kaal stuk grond in een klein buitenwijken staat. Het houten gebouw grijpt mij elke keer als ik hier kom bij de strot. Vlasachtig touw, zanderige kleuren van het hout en de verhoudingen van terrein ten opzichte van tempel, ze openen elke keer ongevraagd beelden in mijn hoofd van gebeurtenissen die in een stokoud verleden plaatsgevonden, maar blijkbaar in mijn geheugen aanwezig zijn.
Ik stap deze keer over de angst van de herkenning heen en verken het gebouw, uitgebreider dan andere keren, omdat ik besloten heb op mijn gevoel te gaan pelgrimeren en niet meer volgens het officiele tempelboek. 
Na mijn bezoek is er ruimte in mijn hoofd. Ik vertraag mijn lopen en zie mijn omgeving intenser.
Ik geniet.
Dit is dus pelgrimeren.
Als ik een paar uur later, bij de hogergelegen tempel tien voor de Hondo - de tempel van de hoofdgod - sta, heb ik een helder moment en valt een beeld binnen van hoe ik mijzelf graag zie in de komende jaren. Ik heb het beeld vaker de laatste tijd, maar de ontdekking dat ik het kan 'meenemen' op deze reis, is nieuw. Om mijn behoefte aan controle en analyse te beteugelen besluit ik het beeld weer los te laten. Als het beeld belangrijk genoeg is vind het zijn weg wel terug. Ik wil alles open houden. In plaats daarvan wil ik bij elke tempel van nu af aan slechts mediteren op twee zaken; rust en fucus. Meer niet. Rust en focus. Het wordt de simpele mantra van mijn reis.

Temidden van deze hectische week, heb ik een bijzonder gesprek.
Ik eindig mijn eerste twee dagen in een slaap-huisje voor pelgrims, op het parkeer terrein van een badhuis. Bij het vallen van de avond zitten ik en een mede-pelgrim, Megumi, aan de picknicktafel. Terwijl haar ranke armen om haar heen dansen om haar zorgvuldig gekozen woorden te begeleiden en haar blik als in een soort trans omhoog gericht is, maakt deze dromerige Japanse mij deelgenoot van haar Shinto-geloof. De overtuiging dat alle mensen, objecten, plekken en initiatieven vervuld zijn met een entiteit, een 'spirit' en dat dat een verplichting tot respect oproept in je verhouding ertoe. Ik luister ademloos en voor mij ontvouwt zich de wereld als een plek waar alles waarde heeft, elk mens telt, elk object gerespecteerd kan worden en elk initiatief ondersteunt wordt door krachten die we nog helemaal niet begrijpen.



Saturday, 22 October 2016

De schijn van leegheid

Een jaar geleden besluit ik na te denken over het lopen van een tweede volledige Henro. Voor niet-ingewijden: de twaalfhonderd kilometer, cirkelvormige Boeddistisch/Shintoistische pelgrimstocht op het Japanse eiland Shikoku. Een tocht die langs achtentachtig tempels leidt. Tent in de rugzak en tien weken op stap. 

Maar ik maak wel een afspraak met mijzelf; ik ga alleen als ik binnen het jaar op de volgende vraag het juiste antwoord vind: 'Wil ik gaan omdat ik het leuk vind of omdat ik voel dat het echt moet?'
Pelgrimeren op Shikoku is namelijk geen vakantie. Het is een reis. Een mooie, maar mentaal confronterende en soms ronduit meedogenloze reis. Als ik alleen kom voor het plezier van de herinnering dan voel ik die speciale lokroep niet, de lokroep van zelfopgelegde ontbering. Dan blijft er een middelmatig mooi eiland met lege wegen en heel veel rijstvelden over. 'Leuk' is dus niet genoeg voor mij.
Maar wanneer ik voel dat ik moet...tja, dan ga ik! En wat dat voor een gevoel is weet ik na al die bezoeken aan Shikoku nog steeds niet te omschrijven. 
Ik laat de zaak rustig zijn beloop en hoop dat een antwoord zich aandient. Wel, dat antwoord komt. Uit een hoek waar ik het niet verwacht.

Een paar maanden na mijn besluit eindigt namelijk mijn relatie. Het is een heftige breuk, voor ons allebei. Zo heftig, dat ik een week er na letterlijk en figuurlijk op de bank in mijn huiskamer neerval en samen met mijn vrienden 'Netflix'en 'NPO' in een staat van totale lusteloosheid terecht kom. Dat gaat een half jaar duren, tot aan Shikoku, Ik kom alleen mijn bank af voor de supermarkt, een enkele vriend en mijn werk - ik ben steward. Ik eet voor mijn doen te veel en beweeg - zeker voor mijn doen - te weinig. Als ik, een paar maanden verder, aan boord van een werkvlucht in het toilet voor de spiegel sta, zie ik opeens een bleke, vermoeide man van middelbare leeftijd, in een pak dat zich steeds strakker om zijn buik spant. Het is voor het allereerst dat ik een man van middelbare leeftijd in de spiegel zie. Het maakt me verdrietig en eenzaam; mijn leven gaat dus deze kant uit?  Maar ergens in mijn onderbuik zegt een stem dat ik mij niet druk moet maken, maar me over moet geven.
Het wordt erger als ik overdag bijna niet meer buiten kom, uit schaamte. Elke dag schijnt de zomerzon, maar ik ben blij als het avond wordt. Weer een dag voorbij dat ik graag naar het strand was gegaan, in het park had gezeten of met vrouwen had geflirt en gevreeen, maar voor dit alles te mensenschuw ben om het te doen. 
Soms lijkt een flirt met een collega, tijdens een werkvlucht, een stoute nacht te beloven. Maar eenmaal in het hotel zie ik mijzelf de afweging maken; seks of roomservice + Netflix? En dan denk ik aan het borrelen, het gesprek waar ik interesse voor iemand moet veinzen, interesse die ik momenteel totaal niet op kan brengen, voor niemand. Maar ook de schaamte voor mijn lijf. Dan taai ik voortijdig af naar mijn kamer. Veilig en alleen.
Sommigen van mijn vrienden gaan zich na een half jaar zorgen maken, ikzelf ook wel. Maar toch, diep van binnen voel ik dat dit precies is wat ik moet doen.
Een maand voor Shikoku neemt mijn lijf het van mijn mind over.  Ik krijg allemaal vage klachten, moet fysiotherapie doen, word ziek en blijf thuis van werk 
Ik ben totaal op. Ik kan niet meer.
En ik besef dat er meer aan de hand is dan alleen een verbroken relatie.

Al die maanden, op de bank liggend, gaan mijn gedachten naar vroeger. Ze pellen mijn zevenenveertigjarige leven langzaam af; Iets in mij besluit blijkbaar alvast met pelgrimeren te beginnen.
Ik reis naar mijn middelbare schooltijd en zie hoe ik vanaf die tijd het leven van een opgejaagd dier leef. Een rusteloos wezen, altijd in beweging, altijd analyserend, weinig afmakend, voorthollend om het punt te bereiken waar ik denk rust en erkenning te vinden. Terwijl ik voortploeter, hoek na hoek omga, ogen te kort voor alles dat mij kan afleiden, is het jongetje in mij nooit weggegaan. 
Dat jongetje, waar is dat gebleven?
Ik maak contact met hem. Hij droomt nu in mij. Terwijl ik voortraas, creatieve initiatief na initiatief begin en afbreek blijft hij mijn dromen verder dromen, door al mijn levensfasen heen, al bijna dertig jaar. Hij blijft die grote kunstwerken, mijn kunstwerken, die mij vroeger zelf ontroerden en opwonden, gewoon zien. En laat mij dat af en toe ook weten. Hij voelt, anders dan ikzelf, wèl mijn kloppend hart, een hart dat alle kleuren van de regenboog proeft en vol zit met fantasieen over de meest schitterende vernietigingen, opstandingen, geheimen en betekenisvolle gebeurtenissen, verpakt in meeslepende verhalen over alle tijden heen. Dat jongetje is klaar voor het paradijs, en ik? 
Ergens, ooit, tussen verwonding en teleurstelling  sloot ik de deuren. Om me veilig te voelen. 

Waarom houd ik dit zo lang vol, denk ik, als ik op mijn bank lig, moedeloos en opgebrand. Waarom?
Ik houd het zo lang vol omdat ik bij elke vlucht mijzelf wijs maak dat ik opkom voor mijn recht niet door verwachtingen van anderen gekneveld te worden; de 'ander' als bedreiging dus. Maar hoe zit ik er naast! Na twintig jaar vallen en opstaan kom ik erachter dat ik niet vlucht voor anderen, maar voor mijzelf, of preciezer, voor mijn diep gewortelde angst dat ik misschien niet met tegenslag zou kunnen omgaan. 
Ik vlucht voor de angst om te mislukken.

Ik lig op mijn bank en voel voor het eerst in mijn leven dat zowel het voortrazen als het zoeken naar rust mij niet verder helpen. Instinctief besluit mijn hart zich over niets meer druk te maken. En dus leeg te lopen. Tot ik naar Shikoku kan om met mijn gedefragmenteerde zelf alleen te zijn. Zonder verwachtingen, zonder plan, zonder voorbereiding. 
Alleen maar leeg zijn.
Leeg.

Voor mijn vertrek zie ik mijn lieve moeder en zus en  ik heb een feestje voor wat vrienden. Ik heb er helemaal geen zin in, ik kan geen mensen meer zien. Maar gelukkig zet ik door. Het is het beste dat ik kan doen. Want de aanwezigheid van mijn familie en vrienden valt als een warm bad over mij heen. Als de laatste vriendin mijn huis verlaat met een 'Ingmar, wat ben je een mooi mens'  en de deur achter haar sluit, kijk ik de lege kamer in. Daar staat die bank waar ik een half jaar al in lig. Hij is opeens een lege cocon en kijkt mij zonder oordeel aan. Hij heeft zijn werk gedaan. Ik ervaar  een diepe, diepe dankbaarheid voor het feit dat ik mijzelf die bank gegund heb. En ik ben opeens blij dat ik dat überhaupt kan voelen.  
Maar ik voel vooral dankbaarheid voor al die mooie mensen in mijn leven.

Zo ga ik naar Shikoku. 
Met de schijn van leegheid.