Friday, 16 December 2016

Het Einde. De Onderstroom.

Twaalfhonderd kilometer lopen op Shikoku heeft mij per straat, per dorp, stad en provincie ondergedompeld in mijn eigen wereld. Het was een tijdelijke onderdompeling, die me ervaringen gaf die ik nodig heb, of niet verwachtte nodig te hebben. Na weken lopen veranderde ik van iemand met wandelschoenen aan in een pelgrim en was de ongewone omgeving waar ik in existeerde als soepele kleding om mij heen gaan zitten. Ik werd onderdeel van de onderstroom.

Toen ik de allereerste keer Shikoku bezocht, vier jaar geleden, vluchtte ik na twee weken weg. Ik name de trein terug naar Tokushima, checkte in bij een hotel, kocht een paar biertjes en viel uitgeput in slaap. 
Toen ik de volgende ochtend wakker werd, hield ik mijn ogen dicht omdat ik mij bewust was dat er iets helemaal niet goed was met mij. Ik voelde dat ik met mijn rechterarm wel kon proberen mijzelf op te richten, maar dat ik dan iets kapot moest maken. Ik duwde mijn arm tegen de binnenkant van een cocon, waar ik blijkbaar inzat, en scheurde deze kapot. Ik kreeg daarbij een ongelofelijk heftig gevoel van schuld. Schuld over wat ik de dag daarvoor had gedaan. Schuldgevoelens naar dat 'iets' dat de Henro is en dat ik nu zomaar had onderbroken. Ik brak bijna letterlijk het proces af dat ik zelf in gang had gezet en voelde dat ik iets van ongelofelijke waarde kwijt was.
Alle keren dat ik daarna terug ging naar Shikoku was ik mij bewust van die initiële ervaring in dat hotelbed. Het bracht me ertoe de Henro als een entiteit te ervaren. Daardoor kon ik de dankbaarheid dat de Henro onlosmakelijk met mijn leven en biografie verbonden is, plaatsen in een groter geheel, waarin velen, gezien en ongezien, met oprechte intenties betrokken zijn en zorg dragen.  

Maar uiteindelijk kom ik na twaalfhonderd kilometer terug op de plek van vertrek en moet ik er weer uit. Terug naar mijn eigen Nederlandse leven. Ik sluit mijn Henro af. Het is klaar nu.
Voor mij persoonlijk zijn er drie 'rituelen' in de tocht die de transitie terug bewerkstelligen.
Ten eerste kom je na tempel zevenentachtig bij de 'Henro-saloon'. Een gebouw met een klein museum over de tocht, maar vooral de plek waar je een oorkonde ontvangt. De persoon die het geeft bevestigt eigenlijk jou aanwezigheid op het eiland en noemt je nu ambassadeur van de Henro. Dit is een ontroerend moment.
Het tweede ritueel is het bereiken van tempel achtentachtig. Het gebruik wil dat je hier je staf achterlaat. Ik doe dit niet, maar voel me na het verlaten van de tempel geen pelgrim meer. Ik heb er deze keer trouwens overnacht, wat een extra ervaring van verbinding gaf. Ik raad het iedereen aan.
Het derde en meest indrukwekkende ritueel voor mij is om tempel Ryozenji weer te bereiken. De cirkel is figuurlijk, maar vooral letterlijk rond. Het moment dat ik bij tempel tien letterlijk het pad kruis dat ik negen weken daarvoor ging is mooi en geeft bevrediging. Bij Ryozenji steek ik bij de Hondo een kaars voor mijzelf op en bij de Daishdo eentje voor de energie van dit eiland, de tempels en de mensen die voor mij hebben gezorgd. Maar deze keer vooral voor het vermogen van de menselijke soort om met zijn wilskracht materie niet alleen om te zetten tot wapenen die scheidend werken, maar ook om materie te transformeren tot objecten die helpen verwondering, eerbied, vergeving en dankbaarheid te voelen; die niet scheidend, maar verbindend werken. Het mystieke aan religieuze discipline voor mij, is dat het scheidend èn verbindend werkt, op hetzelfde moment. Ik heb die mystieke wilskracht van de mens wel met tranen in mijn ogen gevoeld als ik bij een Hondo zag hoe iemand het steen, het goud, het papier, de bijenwas en het hout zo gerangschikt had, tot een tempel, dat ik er rust en inspiratie door kreeg en mijzelf en de wereld kon aanraken, er één mee kon worden.
Dan zet ik mijn staf bij de Daishdo van Ryozenji, maak er een buiging voor en bedank hem. Ik werp een laatste blik op de vissen in de vijver en ga.

Daar sta ik, met mijn gezicht naar de toegangspoort waar ik nieuwelingen zie komen. En ik? Ik ben een oud-gediende, een 'oldie'. Ik ben hier vier jaar lang gekomen en gegaan, de mensen hier zijn mij dierbaar, ik laat het nu achter me.
Ondanks de stromende regen besluit ik de twintig kilometer naar Tokushima, en mijn hotel, te lopen. Langs de bewolkte straten van de vlakke rivierdelta, de bruggen over de hoofdwegen, en het pad langs de treinbaan waar ik het boemeltje in tegengestelde richting naar Bando zie gaan, besef ik met een brok in mijn keel dat ik de laatste dag beleef van vier jaar pelgrimeren in Japan. Ik heb geen heimwee. Het is een vol gevoel. Mijn gedachtes gaan terug de tijd in.
De eerste keer dat ik pelgrimeerde overviel de angstaanjagende confrontatie met een deels onverwerkt verleden mij. Ik vluchtte, rende gelukkig weer terug en ging het aan. Ik kwam in de roerige wereld van mijn binnenkant terecht en verbleef daar, observeerde, analyseerde, begreep, voelde en accepteerde. Daarna kwam ik vaak terug op dit eiland, om verschillende redenen. En deze keer dan stond mijn aanwezigheid hier in het teken van mijn toekomst. Ik ontrafelde het mechanisme van twijfel, voorzichtigheid en faalangst, waardoor ik niet beweeg. Het ontbloten van die angel heb ik te danken aan mijzelf, maar ook aan mijn jaren in Japan.

Echter, door dit alles heen, in elke beweging van mijn gevoel, mijn angst, mijn vermijding, zit de confrontatie met het ultieme thema.
De dood.
Hij is het begin en het einde van elke beweging.
En die confrontatie, toen ik op Shikoku de deur iets open durfde te zetten, was enorm indrukwekkend. Ontzagwekkend. Totaal. Het onderkennen van de angst voor de dood was niet het oplossen van die angst. Maar wel het geven van een rechtmatige plek in mijn leven ervan. Ik heb op de meest vertwijfelde momenten, op eenzame, sombere straten op Shikoku geleerd, dat het volledig onderkennen van mijn eigen sterfelijkheid niet betekent dat ik mijzelf kwijt ben in totale donkerte. Ik heb er zelfs creativiteit in ontdekt, want ik schrijf er nu over in een blog. De dood is een onwelkome gast voor mij, zeker, want ik houd van het leven, maar hij heeft nu een plek op mijn schouder. Zo hoef ik hem niet elke dag te zien, maar hij is wel dichtbij en wordt niet ontkend. Zoals het hoort.

Ik bedank de Henro als universeel middel, voor iedereen die haar uit verlangen opzoekt, om het veelvoudige pad te gaan dat leidt naar onbekende plekken. En in mijn hart is nu voor altijd een speciale plek voor Japan en zijn inwoners.  

Pelgrim af.

Als ik Iyadaniji verlaat ben ik klaar met pelgrimeren. 
De vraag is nu, ga ik stoppen om een week te schrijven in Tokushima? Of loop ik de ruim honderdvijftig kilometer door en sluit de cirkel. Want dat is eigenlijk het mooiste moment van de hele tocht.  
Ik ben er nog niet over uit.

Het is nog dagen lopen naar de hoofdstad van Kagawa, Takamatsu. Toch verstedelijkt het landschap in rap tempo. Ik kom aan in Zentsuji-Shi, een stad genoemd naar de eerbiedwaardige vijfenzeventigste tempel. Het enorme complex van tempels en administratieve gebouwen is de geboorteplek van Kukai en daarmee het kloppend hart is van de Henro. Ik begrijp het sentiment, maar ik voel me hier te veel in een soort Bethlehem en houd mijn bezoek kort. 
Verering, het is niet mijn ding.
Nee, geef mij dan maar het ongemakkelijke en kleine Koyamaji vlak daarvoor. Drie jaar geleden liep ik deze vierenzeventigste tempel binnen via de lelijke, modernistische achteruitgang. Ik zag de kale binnenplaats en achter de hoofdingang die lelijke, luidruchtige fabriek. De tempel ligt tegen een beboste berg, maar in mijn boeken verdween zij als de minst aantrekkelijke tempel van de hele tocht. Omdat ik niet meer pelgrimeer ontstaat er, nu ik deze gekneusde plek wederom bezoek, een gevoel van wederkerigheid in mijn hoofd die mij voorstelt deze tempel extra aandacht te geven. Ik ben haar dat eigenlijk wel verschuldigd.
Er rijden twee kleine opgewonden kinderen op een fietsje op het verder volkomen verlaten tempelterrein. Ik stel me rustig open voor de sfeer en zie dan iets dat ik eerder niet zag. Ik loop naar een hoger gedeelte, in de schaduw van de berg. Het is een klein heiligdom, een half in de berg uitgehouwen 'hol' met wat beelden. Ik had zoiets primitiefs niet verwacht, juist hier niet. Als ik de geur van mijn opgestoken wierook ruik, vouw ik in een impuls mijn handen en 'vraag' of deze plek beschermd kan worden en zijn oorspronkelijke glorie terug mag krijgen. 
Later die dag blijft de tempel mij bezighouden. En als ik vervolgens wat achtergronden lees over haar blijkt een oude man Kukai gevraagd te hebben deze tempel te bouwen. De man zou in ruil het heiligdom zijn eeuwige bescherming geven! 
Nou ja, grijns ik in mijzelf, ik ben dan wel klaar met de tocht, maar de tocht duidelijk niet met mij!

Na mijn korte bezoek aan Zentsuji kom ik vlak bij de volgende tempel Konzoji een oude bekende tegen die ik al verwachtte. Als ik langs zijn huis loop komt hij - een oude man - de deur uit en geeft mij, net als drie jaar daarvoor, een kleine poppetje. In het lijfje zit een briefje met tekst. Ook nu weer maakt hij op mij een wat verstijfde en onrustige indruk. Waarom moet die man de hele dag osettai - een gift aan pelgrims - uitdelen? Uit respect zal ik dit poppetje thuis bij de ander leggen.
In de rustruimte van Konzoji neem ik eindelijk een besluit over de rest van mijn tocht. Ik loop in vijf dagen naar het beginpunt, Ryozenji. Daarna reis ik naar Osaka om nog acht dagen schrijvend te genieten van het einde van mijn reis! Na lang zoeken vind ik een appartement met keuken, badkamer en zelfs een balkon, in de  volkse buurt Abeno en reserveer. Ik kan niet wachten!
Als ik opkijk uit mijn gemijmer en de pelgrims en de tempel zie, besef ik dat ik hier nog wel ben, maar dat mijn hart niet meer in de tocht is. Maar ja, is dat nou juist niet de essentie van pelgrimeren, gaan waar je hart je leidt? Acht dagen in Osaka zijn is dus ook pelgrimeren!
Maar toch, afscheid hangt in de lucht. Die nacht logeer ik in een Zenkonyado - een gratis/goedkope slaapplek voor pelgrims - in de schaduw van tempel achtenzeventig, gerund door een oud echtpaar. Zij doen dit al heel lang en zijn een begrip onder pelgrims. 's Avonds zit ik met nog een paar andere pelgrims in de woonkamer. De oude man laat mij vol trots tientallen foto's, teksten en tekeningen zien die bezoekers voor hem maakten. Achter zijn trots en enthousiasme voel ik zijn tranen. Indachtig mijn eigen op handen zijnde afscheid denk ik dat ik hem wel begrijp.

De volgende dag trek ik het hooggebergte van Goshikidai in, waar de buitengewoon mooie tempels Shiromineji en Negoroji liggen. Samen met de tempel Kokubunji - die 'beneden' ligt - vormen zij een driehoek van vele kilometers stijgende en dalende bospaden en wegen.
Na een flinke stijging komen de beruchte traptreden naar Shiromineji. In vier jaar pelgrimeren bouwde ik de gewoonte op om omlaag te kijken bij een beklimming. Ik vermeed daarmee ontmoediging en hield mezelf in het moment. Maar op deze statige traptreden, begeleid door een haag van gedenkstenen - die de klim iets van een mystieke initiatie geven - vraag ik me af of vermijding, en dan niet alleen op trappen, nog wel nodig is voor mij. Ik moet toch verdorie dat doel kunnen zien liggen, zonder ontmoedigd te raken?!  Ik kijk naar boven en zie een zee van traptreden. Ok, let's improve! Ik blijf omhoog kijken terwijl ik stijg. Mijn ongeduld maakt mijn benen loodzwaar en ik voel alles intenser, mijn zweet, mijn rug, mijn voeten, alles. Maar ik bespot en daag uit en besef dat dit over wilskracht gaat.
Voor ik het weet is mijn ongeduld weg en loop ik gewoon omhoog.
Bij Shiromineji ben ik zo voldaan dat ik na een korte lunch niet de tempel bezoek, maar meteen weer vertrek! ik heb zelfs bij deze schitterende tempel blijkbaar niets meer te doen. 
De volgende tempel, Negoroji, ligt in de dikke bebossing van het berggebied. Je betreedt het via een mooie poort, waarna je atypisch een trap afloopt en door een schitterende bostuin twintig meter verder weer omhoog loopt naar het eigenlijke tempelterrein. Dat tempelterrein lijkt een soort oude kloostertuin, met oude gebouwtjes, op diverse niveau's, veel begroeiing en veel overdekte doorgangen met beelden. De oude bomen staan in volle herfst-tooi. Wat een intense sfeer van oude spirituele oefening hangt hier! Ik weet het deze reis zeker; dit is mijn favoriete tempel.
Maar er is ook dat bezoek, acht maanden geleden, toen ik hier met vriend Rick was, aan het einde van een roerige vakantie. Rick vond in sommige rituelen hier een manier om iets emotioneels af te sluiten, om vrede te vinden. Zijn welbewust voornemen dit in Japan te 'laten gebeuren' inspireerde mij en bij Negoroji nam ik het besluit over mijn relatie.
Als ik de bergen inloop is mijn ex-vriendin dichter bij dan ooit. Zij is heel de tocht bij mij geweest, maar hier, waar die sfeer van de onvermijdelijke terugreis naar huis nog hangt, kan ik er niet om heen. Ik voel me verdrietig om de hoop en de liefde die afgebroken zijn.

Na Negoroji houdt mijn 'spirituele spijbelgedrag' niet op. Ik besluit twee andere tempels ook over te slaan en meteen door te lopen en 'treinen' naar Takamatsu en daar een hotel te nemen. De volgende dag volg ik weer braaf het pad. Ik moet voor Yashimaji als Yakuriji - de vier- en vijfentachtigste tempel - twee keer een berg op en af. Na mijn ontdekking dat omhoog kijken niet tot ontmoediging leidt ga ik er vol voor! Tip voor de pelgrims onder mijn lezers: loop bij Yashimaji vóór de poort naar links langs de winkeltjes. Er wacht je dé verassing van de tocht: het meest weide panorama van de hele pelgrimage; uitzicht op de zee, Takamatsu, en de bergen erachter!

Maar dan, zo typisch aan het eind van mijn tocht, krijg ik de kans om 'achter de voorhang' te kijken. Achter elk verschijnsel ligt het ruwe materiaal waar het uit is opgebouwd. Vaak als idee, maar soms in materie uitgedrukt. En vlak voor Nagaoji, de zevenentachtigste tempel, staat diens 'Okunoin' - het 'binnenste heiligdom'. Elk van de achtentachtig tempels heeft een Okunoin, welke vlakbij, maar soms kilometers verder weg ligt. Het zijn vaak zeer oude plaatsen van religieuze oefening. 
Deze Okunoin ligt tussen een paar huizen in een gehuchtje vlak voor Nagaoji. 
De kleine binnenplaats  heeft een overspanning met seringen. Naast het tempeltje begint een woonhuis, waar ik voor het raam, tussen stoffige paperassen, een oude monnik zie schrijven. Ik knik en zet mijn rugzak bij een bankje. Ik heb net wierook aangestoken als de monnik door een deur de tempel inloopt en een voor mij onbekend ritueel gaat uitvoeren. Achter de gesloten luiken hoor ik het geprevel van teksten. Dan stopt dat en hoor ik opeens het blazen op een hoorn van een dier. Gefascineerd blijf ik luisteren naar het primitieve geluid dat afgewisseld wordt met meer geprevel en het geschud van bellen.
Na al die mooie, maar drukbezochte tempels van de afgelopen weken, onderga ik hier, tussen oude stenen, een waslijn met kleding, bloempotten en fietsenrekken, een ongepolijst, rauw ritueel dat onwelkom door mijn bloed heen drukt en mijn geest terugvoert naar brute, heidense tijden waar de afhankelijkheid van de godheid nog volledig was; dierlijk en universeel. 
Ik loop bedeesd weg, alsof ik getuige was van iets dat niet voor mijn ogen en oren bestemd was.

Mijn laatste dag als pelgrim is begonnen.

Monday, 12 December 2016

Geheime Bijeenkomst der Elementen

Ik sta bij de Hondo van Iyadaniji, de eenenzeventigste tempel. Zoals altijd is mijn hoofd gebogen, zijn mijn ogen dicht en sta ik open voor wat komt. Maar dan - zonder dat ik het per se zelf wil -  gaan mijn ogen open. Ik richt me op en een spier die van mijn nek naar mijn ruggengraat loopt ontspant zich. De ruimte die daardoor in mijn borst ontstaat veroorzaakt een diepe inademing.
Ik ben klaar.
Ik ben klaar met pelgrimeren. Ik ben klaar met naar binnen kijken, omdat ik weet wat ik wil. Als ik nu nog doorga met handen vouwen en visualiseren zou het een pose zijn.

-----

Na tempel zestig slingert het Henro-pad dagen lang om autoroute 11 heen. Pas bij Shikoku-Cho klimt het rechts de bergen in, langs de rand van de berg Hiraishi. Uiteindelijk volgt de beklimming van de berg die zijn naam ontleent aan de oude tempel die op de top staat, Unpenji, de zesenzestigste tempel, het hoogste punt van de hele pelgrimage, negenhonderd meter. Hierna loop je de vierde provincie Kagawa in.
Maar ik heb helemaal geen trek in dat lange stuk langs route 11, dorpje in, dorpje uit. Na vijftien kilometer lopen neem ik de trein naar Shikoku-Cho en check in bij een oude bekende, Hotel Mild. En niet één nacht, maar wederom twee. Drie jaar geleden werd ik bij binnenkomst in Hotel Mild verrast door de stem van een Nederlandse discjockey over de speakers; ze bleken Sky Radio te hebben! In Shikoku-Cho of all places! Nu loop ik voor de tweede keer binnen en verdomd, nog steeds Sky Radio, de hele dag door. Ik spreek geen Japans dus ik zal nooit te weten komen waarom.

Na anderhalve dag schrijfplezier vertrek ik weer, de bergen in. Ik verheug me op een hele dag hooggebergte, dorpjes en leuke rusthutten voor pelgrims.
Ik heb het al eerder geschreven, maar mijn sociale behoeftes op deze reis zijn minimaal. Maar bovenaan de lijst van 'te vermijden menselijk contact' prijkt de  'Praatgrage. Oudere, Japanse Pelgrim-man'. Het is ongetwijfeld onredelijk en cultureel discriminatoir, maar ik vind oudere Japanse pelgrim-mannen door de bank genomen opgewonden, nieuwsgierige wijsneuzen.
Langs de rivier Kinsei lopend haal ik er eentje in die aan de andere kant van de weg loopt. Zodra hij mij ziet dwingt hij mij opgewonden zwaaiend naar zijn kant, waar het wat veiliger lopen is. De zorgzaamheid is aandoenlijk, maar ik weet wat volgt. In rap Japans begint hij met het stellen van persoonlijke vragen, daarbij opdringerig naar mij toebuigend. Ik geef vrij kortaf aan dat ik geen Japans spreek (wat ik ook zou doen als ik de taal wel machtig was btw) maar dat werkt niet bij Praatgrage, Oudere Japanse Pelgrim-mannen. Dus loop ik gewoon bot van hem weg. Dan mompelt hij opeens in het Engels:'  Well, i do speak English'. En om het erger te maken herhaalt hij die zin een paar keer, daarbij met zwaaigebaren vermoedelijk mij en mijn on-Japanse rothouding over de reling de rivier in kieperend. Stiekem schaam ik me wat, want je moet het wel heel bont maken wil je een Japanner zo openlijk dramatisch krijgen.
Maar goed, ik ben wel van hem af... denk ik.
De beklimming van de berg Unpenji kent drie routes. Bij de laatste daarvan is slechts één B&B en daar wil ik slapen. Als ik aankom zie ik tot mijn ergernis mijn Japanner bij de ingang zitten. Hij gebaard me weer en ik knik minzaam, wetend hoe onredelijk ik ben. Hij vertelt dat de B&B vol is en de eigenaar van een verderop gelegen B&B hem komt ophalen met de auto...
...of hij even voor mij moet opbellen, om te reserveren...?
Slik..
Ik stotter een 'Ja, graag, bedankt'.
Even later zit ik achter in de auto, terwijl de Japanner vrolijk praat met de bestuurder, en voel me een enorme kleuter in een enorme hoek.
'Daar ga je met je botte gedrag, 'Mister Self-realisation'. Met al je diepe Zen-shit. Het is maar goed dat jij bent blijven door pelgrimeren.'

De volgende ochtend, zes uur, hangt er een dikke mist in de donkere bergen als ik aan de zeer stijle bergroute begin. De route wordt omschreven als 'Henro Korogashi'; 'de pelgrim valt om'. Een aanduiding voor de zwaarste parcours in de tocht. Deze is twee en een halve kilometer lang, zonder horizontale gedeeltes.
Hoe hoger ik klim, hoe dikker de nevelflarden. De herfstbladeren en vochtige aarde wasemen een heerlijke aardse geur uit. Als ik de kern van de mistwolk instap lijkt deze al het geluid uit de vallei op te slokken. Het is helemaal stil. Hogerop, als ik er na twintig minuten weer uitloop, breekt ochtendlicht door de nevel en zie ik hoe ranke bomen de diepte van de vallei zichtbaar maken. Ik voel me bijna gedrogeerd door de sprookjesachtige sfeer om mij heen. Dan, zonder overgang, loop ik het bos uit, het volle licht in en is mijn klim over.
Ik sta op een eenzame asfaltweg die letterlijk over de kam van de berg loopt. Ik ben op de top! Links zie ik de verre bergen van Kagawa, rechts die van Tokushima. De zon breekt door en schijnt fel op de gele en oranje bladeren van bomen en struiken. Grote mistflarden kruipen traag van rechts omhoog, over de weg waar ik loop, en glijden aan de andere kant weer naar beneden. Ik sta midden in een trage, tijdloze voortgang.
Het is een glorieus moment. Voor mijn hart en mijn geest. Hier loop ik, in de frisse ochtendlucht, en geniet van dit alles omdat ik weer voor Shikoku koos. Tegen alle verbazing van vrienden en familie in, vertrok ik toch weer en kijk dan! Ik ben zomaar getuige van een van de vele geheime bijeenkomsten der elementen op een plek die bijna niemand bezoekt.

Een half uur later loop ik het terrein van de eerbiedwaardige tempel Unpenji op.
De Hondo is exact vierkant, net een kubus. Het is een nieuw gebouw, want het hout is nog licht en glad. Een derde van de ruimte is voor bezoekers, daarna is er een afscheiding waarachter zich de heiige voorwerpen, kaarsen en een altaar bevinden.
Als ik in de Hondo binnenkom heb ik opeens een emotionele reactie. Het is me vaker overkomen in de tocht. En altijd door de relatie tussen tempelgebouwen en de omgeving of de objecten die erin staan. De aard van die ruimtelijke verhoudingen roept een verlangen op naar iets dat ik niet meer heb, maar waar ik ooit thuis was. De beklemming van een herinnering aan eenzaamheid, alsof ik ooit verstoken was van iedereen, door eigen keuzes. Ik sta minuten lang de ruimte in mij op te nemen en vind het prettig om die beklemming te herkennen en te voelen.

Terug uit de bergen, in Kagawa, wandel ik Daikoji, tempel zevenenzestig, binnen. Deze ligt midden tussen de rijstvelden, maar wel op een heuvel, waarop een hele oude, reusachtige boom groeit, die geplant zou zijn door Kukai zelf. Hij strekt, samen met een aantal andere reuzen, zijn takken uit over de oude trap naar de Hondo.
Ik voel al de hele dag dat langzaamaan het einde van de tocht gaat naderen. Terwijl ik mijn ogen dichtklem bid ik intenser dan ooit dat ik, eenmaal weer in Nederland, niet overspoeld word met de oude manier van denken en voelen en al het waardevolle dat ik hier opdoe niet in rook zal opgaan.
Hoe kom ik van mijn faalangst af?!
Op het moment dat ik die vraag stel heb ik het antwoord al. Maar ik besef dat het antwoord er al die tijd al was; toen ik op de eindeloos route langs Kaap Moroto liep; toen ik trap na trap bergtempels besteeg, gebogen bij Hondo's stond, maar eigenlijk al voor mijn reis, toen ik lamlendig op mijn bank in Amsterdam lag, ziek en teneergeslagen, wist ik het:
Als na alles dat hier beleefd en doorgemaakt is niets mij meer in de weg staat om te doen wat ik wil, en uiteindelijk ik en mijn faalangst overblijven, en de wurggreep van het 'te ver gelegen doel' mij dreigt te verlammen, dan blijft er één ding over:
Beginnen.
Maar, stap voor stap.

De enige manier om te doen wat ik wil, is door het stap voor stap te doen.

Ik loop weg van Daikoji. Er zijn geen kerkklokken die gaan beieren, geen juichende menigte langs mijn pad als ik verder trek. Alleen maar het plezier van buiten lopen.

Tuesday, 6 December 2016

Tegen de muur

De eerste avond na Matsuyama kom ik in een stil havenbuurtje aan bij een B&B die zich nog het best laat omschrijven - sorry dat ik het zeg - als een goedbedoelde klerenbende met een gestresste Japanner erin. Ik ontmoet daar ook, voor de tweede keer, een Australisch stel op de fiets en ben verbaasd dat ze mij niet al voorbij zijn.
Als ik de volgende ochtend afscheid van de eigenaar neem en belangstellend naar de naam van zijn hond vraag, kijkt hij me voor de zoveelste keer opgefokt aan en geeft zijn businesscard.
'I gave you this card last night', zegt hij kortaf. Dat klopt maar dat vroeg ik niet. Dus vraag ik langzamer naar de naam van zijn hond. Hij wordt geirriteerd en wijst weer naar die kaart.
'Here, i gave you my card last night!'
Ik voel een doodlopend moment aankomen qua geduld, pak mijn boeltje, buig kort en vertrek. Op straat bekijk ik die businesscard nog eens beter... Staat die verdomde hond erop! Zijn B&B heeft de naam van die hond.

Na Matsumaya hoef ik in principe nog maar dertien kilometer per dag te lopen, ik lig enorm voor op schema! Dat komt goed uit, want zowel mijn geest als lijf hebben dringend vertraging nodig. Mijn knieën doen pijn en ik wil vaak en veel schrijven!
De B&B die ik verlaat ligt aan een meerdaagse kustroute vanaf Matsumaya naar de op schitterende bergtoppen gelegen tempels achtenvijftig en zestig.
De  hele ochtend loop ik door sombere industriedorpjes, maar ik geniet! Drie jaar geleden liep ik hier midden in de nacht, door de regen, met een zaklamp mijn weg te zoeken. Nu zie ik wat ik toen miste, bloedmooie uitzichten over eilanden voor het vaste land van Hiroshima waar boven woeste wolken zich samenpakken.
In een saai, druilerig dorpje zit ik in een oase van een lunchroom als ik tot mijn verbazing die Australische fietsers weer zie aankomen. Die waren toch eerder vertrokken uit die B&B?  Als zij mijn verbazing zien, legt de vrouw van het stel uit dat ze, ondanks hun snelle fietsen, niet bepaald..eh... 'haast' hebben. We schieten alledrie in de lach en ik vertel hen van mijn 'vertragingsmodus' die ook mij geen klap verder helpt. We mediteren gezamelijk over het feit dat als zij mij al niet kunnen inhalen ze zich serieus moeten afvragen waar ze eigenlijk mee bezig zijn.
Ik opper: 'Genieten wellicht?'
We heffen onze koffie en toasten. 'Op het Grote Genieten!'
Na een leuk gesprek vertrekken de twee en schrijf ik nog een paar uur door.

's Middags boek ik een hotel voor de volgende stad, Imabari, en ik moet lachen om de overduidelijke hint van het lot. Want mijn enige optie in Umbari is een guesthouse... voor fietsers! Ik heb weinig gelopen vandaag, maar Ik heb zo maar een idee wie ik daar ga aantreffen.. En verdomd hoor, de luie varkens, als ik binnenkom - in overigens de leukste lodging van mijn hele reis - zitten daar aan de bar twee zwaar grijnzende koppies! Zweetloos en wel.
's Avonds gaan we met zijn drieën uit eten bij de Japanse grill en toasten we weer. Maar nu op de prille vrucht in haar buik...
Dàt is dus de reden voor hun lage reistempo.

De volgende dag volg ik de stijle route omhoog naar Senyuji, tempel achtenvijftig, een oud pad met verweerde beelden, bloenenperken en reusachtige bomen. Gelukkig is mijn rugzak lichter. Mijn knieën gaan me steeds meer last bezorgen, daarom heb ik spullen teruggestuurd naar Tokushima.
Ik blijf 'boven' slapen in het tempelhotel waardoor ik de volgende dag de ochtenddienst in de tempel kan meemaken. Drie jaar geleden maakte deze dienst een enorme indruk op me. Ik snakte naar rituelen, betekenis, reiniging wellicht. Deze keer word ik echter totaal niet geraakt. Maar dat verbaasd met niet omdat ik de laatste weken steeds minder behoefte aan spirituele momenten heb. Alsof de ruimte en adem die ik mijzelf nu eindelijk gun mijn dagelijkse leven genoeg plezier en diepte geeft.

De volgende dag, na de afdaling, ontmoet ik Yuko, een Japanse pelgrim, met wie ik momenteel het zelfde tempo qua lopen heb. Zij belt haar B&B, heel bijdehand - ik heb niets in te brengen - en dubbelt mij op op haar kamer. Gelukkig maar, want het stadje, dat aan de voet van de berg naar Yokomineji, tempel zestig, lijkt volledig volgeboekt die avond. Maar waar mevrouw lekker de trein daarheen neemt, loop ik het hele eind. Echter wel schrijvend in te veel cafe's. En dat laatste breekt me op. Met mijn tong in mijn nek kom ik nog net op een christelijk uur aan in de B&B, waar ik onder de douche de schrik van mijn leven krijg. Ik heb een bruine plek, over mijn hele  linker knieschijf. Een soort bloeduitstorting.
Eindelijk besef ik dat ik naar een dokter moet. En misschien kan ik die berg niet op morgen.

Maar eerst komt die dag van morgen. En dat wordt de meest verwarrende uit mijn hele tocht.
Ik eet mijn ontbijt in het cafe van een supermarkt. Daar chat ik met wat vrienden. Ik grap tegen Kelly dat ik mijn planning zo zeer aan het los laten ben dat ik over een week misschien wel in Tokushima zit om daar de rest van de tijd te schrijven, dat is namelijk ook pelgrimeren! Maar als ik de grap maak, besef ik dat ik geen grap maak. En ik denk voor het eerst aan de optie voortijdig stoppen. Dan stuur ik Rick een chat, over mijn knie. En de reactie die ik daarop krijg verandert mijn hele tocht in één klap.

"Dat klinkt niet zo goed (aangaande de voet). Mag ik je ter overweging meegeven dat je niet moet? Moet lopen. Moet afmaken van tocht. Gooi die drang in de zaken waar je je toekomst mee wilt vullen"

De laatste zin is in wezen niet meer dan wat aanmoedigende woorden, maar hij raakt me diep. Hij beschrijft haarscherp een aspect van mijn karakter waar ik mee strijd. Maar de woorden veroordelen niet en laten alleen een andere richting zien, zodat de energie van mijn karakter niet verloren gaat.
Het ontroert me als ik voor het eerst besef wat mededogen betekent. Mededogen naar mijzelf.

Ik herhaal de zin in mijn hoofd, een zucht komt uit mijn tenen en ik kijk naar in- en uitlopende klanten.
'Wat een reis', mompel ik glimlachend.
'Wat een vrienden, wat een leven. Dat ik dit allemaal heb'.
Mededogen naar mijzelf...dat is waar ik al zo ontzettend lang naar verlang en zo zelden voor mijzelf heb. Die woorden komen werkelijk op het allerbeste moment in mijn leven!

Ik hoop dat niemand mij ziet die ochtend, want ik ben net een soort vleugellamme vlieg, die rondtolt door de straatjes en geen richting kan kiezen. Ik ben zo van slag van alles dat de vragen, terwijl ik op een muurtje ga zitten, als een mortiervuur door mijn hersenen schieten. Ik voel de druk tot in mijn oren, zo overkookt zijn mijn hersenen. Als een kachel die gaat loeien bij een open raam. Ik ben in een vacuüm terechtgekomen. Een lege plek waar ik nog nooit keuzes heb gemaakt:
'Ik wil die berg op.. ja maar je knieeen dan... ja maar ik hou zo van klimmen..  ach donder op, je wil naar een hotel en schrijven... klopt, maar misschien mis ik dan een bijzonder moment daar hoog... Eikel!! Pak de trein naar een hotel, je kunt niet alle mooie dingen meemaken, overgefixeerde ADHD-er! Ga genieten en schrijf!

Dan keer ik de berg resoluut de rug toe en loop naar het station. Een uurtje later kom ik aan in het iets verderop gelegen Sajio, check in bij een hotel op een klein stationspleintje met een gezellige lunchroom. De volgende dag zit ik bij de dokter in het ziekenhuis. Na een scan komt hij met het goede nieuws dat er niets ernstigs is. Maar....u moet minder lopen en niet zo snel.
'Goh dokter, werkelijk dokter? Dat weet ik pas sinds ik uit de luiers kroop maar toch bedankt'.

's Middags zit ik weer in de lunchroom, de woorden stromen uit mijn vingertoppen.