Een jaar geleden besluit ik na te denken over het lopen van een tweede volledige Henro. Voor niet-ingewijden: de twaalfhonderd kilometer, cirkelvormige Boeddistisch/Shintoistische pelgrimstocht op het Japanse eiland Shikoku. Een tocht die langs achtentachtig tempels leidt. Tent in de rugzak en tien weken op stap.
Maar ik maak wel een afspraak met mijzelf; ik ga alleen als ik binnen het jaar op de volgende vraag het juiste antwoord vind: 'Wil ik gaan omdat ik het leuk vind of omdat ik voel dat het echt moet?'
Pelgrimeren op Shikoku is namelijk geen vakantie. Het is een reis. Een mooie, maar mentaal confronterende en soms ronduit meedogenloze reis. Als ik alleen kom voor het plezier van de herinnering dan voel ik die speciale lokroep niet, de lokroep van zelfopgelegde ontbering. Dan blijft er een middelmatig mooi eiland met lege wegen en heel veel rijstvelden over. 'Leuk' is dus niet genoeg voor mij.
Maar wanneer ik voel dat ik moet...tja, dan ga ik! En wat dat voor een gevoel is weet ik na al die bezoeken aan Shikoku nog steeds niet te omschrijven.
Ik laat de zaak rustig zijn beloop en hoop dat een antwoord zich aandient. Wel, dat antwoord komt. Uit een hoek waar ik het niet verwacht.
Een paar maanden na mijn besluit eindigt namelijk mijn relatie. Het is een heftige breuk, voor ons allebei. Zo heftig, dat ik een week er na letterlijk en figuurlijk op de bank in mijn huiskamer neerval en samen met mijn vrienden 'Netflix'en 'NPO' in een staat van totale lusteloosheid terecht kom. Dat gaat een half jaar duren, tot aan Shikoku, Ik kom alleen mijn bank af voor de supermarkt, een enkele vriend en mijn werk - ik ben steward. Ik eet voor mijn doen te veel en beweeg - zeker voor mijn doen - te weinig. Als ik, een paar maanden verder, aan boord van een werkvlucht in het toilet voor de spiegel sta, zie ik opeens een bleke, vermoeide man van middelbare leeftijd, in een pak dat zich steeds strakker om zijn buik spant. Het is voor het allereerst dat ik een man van middelbare leeftijd in de spiegel zie. Het maakt me verdrietig en eenzaam; mijn leven gaat dus deze kant uit? Maar ergens in mijn onderbuik zegt een stem dat ik mij niet druk moet maken, maar me over moet geven.
Het wordt erger als ik overdag bijna niet meer buiten kom, uit schaamte. Elke dag schijnt de zomerzon, maar ik ben blij als het avond wordt. Weer een dag voorbij dat ik graag naar het strand was gegaan, in het park had gezeten of met vrouwen had geflirt en gevreeen, maar voor dit alles te mensenschuw ben om het te doen.
Soms lijkt een flirt met een collega, tijdens een werkvlucht, een stoute nacht te beloven. Maar eenmaal in het hotel zie ik mijzelf de afweging maken; seks of roomservice + Netflix? En dan denk ik aan het borrelen, het gesprek waar ik interesse voor iemand moet veinzen, interesse die ik momenteel totaal niet op kan brengen, voor niemand. Maar ook de schaamte voor mijn lijf. Dan taai ik voortijdig af naar mijn kamer. Veilig en alleen.
Sommigen van mijn vrienden gaan zich na een half jaar zorgen maken, ikzelf ook wel. Maar toch, diep van binnen voel ik dat dit precies is wat ik moet doen.
Een maand voor Shikoku neemt mijn lijf het van mijn mind over. Ik krijg allemaal vage klachten, moet fysiotherapie doen, word ziek en blijf thuis van werk
Ik ben totaal op. Ik kan niet meer.
En ik besef dat er meer aan de hand is dan alleen een verbroken relatie.
Al die maanden, op de bank liggend, gaan mijn gedachten naar vroeger. Ze pellen mijn zevenenveertigjarige leven langzaam af; Iets in mij besluit blijkbaar alvast met pelgrimeren te beginnen.
Ik reis naar mijn middelbare schooltijd en zie hoe ik vanaf die tijd het leven van een opgejaagd dier leef. Een rusteloos wezen, altijd in beweging, altijd analyserend, weinig afmakend, voorthollend om het punt te bereiken waar ik denk rust en erkenning te vinden. Terwijl ik voortploeter, hoek na hoek omga, ogen te kort voor alles dat mij kan afleiden, is het jongetje in mij nooit weggegaan.
Dat jongetje, waar is dat gebleven?
Ik maak contact met hem. Hij droomt nu in mij. Terwijl ik voortraas, creatieve initiatief na initiatief begin en afbreek blijft hij mijn dromen verder dromen, door al mijn levensfasen heen, al bijna dertig jaar. Hij blijft die grote kunstwerken, mijn kunstwerken, die mij vroeger zelf ontroerden en opwonden, gewoon zien. En laat mij dat af en toe ook weten. Hij voelt, anders dan ikzelf, wèl mijn kloppend hart, een hart dat alle kleuren van de regenboog proeft en vol zit met fantasieen over de meest schitterende vernietigingen, opstandingen, geheimen en betekenisvolle gebeurtenissen, verpakt in meeslepende verhalen over alle tijden heen. Dat jongetje is klaar voor het paradijs, en ik?
Ergens, ooit, tussen verwonding en teleurstelling sloot ik de deuren. Om me veilig te voelen.
Waarom houd ik dit zo lang vol, denk ik, als ik op mijn bank lig, moedeloos en opgebrand. Waarom?
Ik houd het zo lang vol omdat ik bij elke vlucht mijzelf wijs maak dat ik opkom voor mijn recht niet door verwachtingen van anderen gekneveld te worden; de 'ander' als bedreiging dus. Maar hoe zit ik er naast! Na twintig jaar vallen en opstaan kom ik erachter dat ik niet vlucht voor anderen, maar voor mijzelf, of preciezer, voor mijn diep gewortelde angst dat ik misschien niet met tegenslag zou kunnen omgaan.
Ik vlucht voor de angst om te mislukken.
Ik lig op mijn bank en voel voor het eerst in mijn leven dat zowel het voortrazen als het zoeken naar rust mij niet verder helpen. Instinctief besluit mijn hart zich over niets meer druk te maken. En dus leeg te lopen. Tot ik naar Shikoku kan om met mijn gedefragmenteerde zelf alleen te zijn. Zonder verwachtingen, zonder plan, zonder voorbereiding.
Alleen maar leeg zijn.
Leeg.
Voor mijn vertrek zie ik mijn lieve moeder en zus en ik heb een feestje voor wat vrienden. Ik heb er helemaal geen zin in, ik kan geen mensen meer zien. Maar gelukkig zet ik door. Het is het beste dat ik kan doen. Want de aanwezigheid van mijn familie en vrienden valt als een warm bad over mij heen. Als de laatste vriendin mijn huis verlaat met een 'Ingmar, wat ben je een mooi mens' en de deur achter haar sluit, kijk ik de lege kamer in. Daar staat die bank waar ik een half jaar al in lig. Hij is opeens een lege cocon en kijkt mij zonder oordeel aan. Hij heeft zijn werk gedaan. Ik ervaar een diepe, diepe dankbaarheid voor het feit dat ik mijzelf die bank gegund heb. En ik ben opeens blij dat ik dat überhaupt kan voelen.
Maar ik voel vooral dankbaarheid voor al die mooie mensen in mijn leven.
Zo ga ik naar Shikoku.
Met de schijn van leegheid.