Hij leeft aan de voet van een dicht beboste berg. De berg is opgebouwd uit verplichtingen en schuldgevoelens die hij vanaf zijn jeugd heeft opgestapeld. Een nutteloos pad gaat de berg op naar een tempel zonder inhoud en een nutteloos pad leidt weer omlaag. Dag in dag uit loopt hij het pad omhoog. Als hij terug komt begint hij weer opnieuw. Achter de berg is een weids veld. Soms kijkt hij naar de kinderen die daar spelen in de zon. Hij glimlacht en herinnert zich een onbekend verlangen.
Iets ouder begint hij tussen zijn beklimmingen door te rusten, zodat hij zich even niet verplicht en schuldig hoeft te voelen. Dan doet hij alle deuren dicht en droomt. Maar het helpt niet. Na het rusten is het schuldgevoel nog groter dan daarvoor.
Jaren gaan voorbij. Hij krijgt rimpels en ook dunner haar. Het rusten duurt steeds langer en zijn rustplek raakt langzaam overwoekert door struiken. Op een dag kijkt hij in de spiegel en heeft tranen in zijn ogen. Het schuldgevoel en de verwarring zijn zo groot geworden dat hij niet meer weet of dat nou door het nutteloze klimmen of het rusten komt.
-----
In mijn tweede week verlaat ik, eindelijk alleen, mijn hotel in Tokushima en wandel vier dagen in het lieflijke landschap van de gelijknamige provincie, op weg naar mijn oude vijand; de provincie Kochi en dan met name Kaap Moroto. Ik slaap 's avonds in een rusthut op de parkeerplaats van een Michi No Eki, een service-stop voor reizigers. De volgende dag moet ik de berg ernaast op voor de beruchte tempels twintig en eenentwintig. Ze liggen op een hoge bergtop..maar ehh.. niet op dezelfde bergtop. Er zit een diepe vallei zonder accomodatie en voedsel tussen, dus met extra eten bikkel je op één dag twee keer straf omhoog en omlaag; twee keer vijfhonderd meter over dertien kilometer. Oja, het is ook erg heet en de luchtvochtigheid passeert de negentig procent.
Het slapen op straat is een aparte beleving. Terwijl mensen om mij heen inkopen doen, op weg naar hun gezin, vouw ik alleen mijn slaapzak uit. Deze keer overigens met een medereiziger, een oude Japanner. Eenmaal donker sluiten de winkels en wordt het stil op de parkeerplaats. Daar zitten we dan, met sushi en een biertje. Even later loop ik naar het - in Japan zeer vaak superschone - openbare toilet. Schichtig kijk ik of ik iemand zie aankomen. Als ik mij veilig waan, ga ik snel naar binnen, laat alles onder de riem zakken en was mijn onderlijf, daarna de rest.
Ik heb altijd moeite om te blijven slapen in een openbare plek op straat of in het park. Als ik het doe is het een pingpongen in mijn hoofd om die plek 'mijn' plek te laten worden. Daar zijn de rituelen van eten en wassen voor nodig. Als ik daarna in mijn slaapzak kruip is de plek 'van mij'.
Het is een ongewoon, maar heftig gevoel van vrijheid.
De volgende dag is het zover, ik zweet berg op en af en weer op...
Tempel eenentwintig is een van mijn vijf favoriete tempels. Hij bestaat uit een groot aantal gebouwen dat op die hele hoge top ook nog eens op verschillende niveaus is neergezet. Door de hoge bomen, die het geheel een rustige grandeur geven, hangt er altijd een wat blauw-grijs licht, dat in combinatie met de reflectie van de lichte tegels een bijna maanachtige waas veroorzaakt.
Na een paar dagen kom ik bij tempel drieëntwintig. in het kustplaatsje Hiwasa. De tempel kijkt schitterend uit over het stadje en de zee. Het is de laatste pleisterplaats voor die hele lange, eenzame tocht langs de kustroute van Kaap Moroto.
Door de zee verandert de hele sfeer, het is uit met de lieflijkheid. Twee keer eerder liep ik Kaap Moroto. De eerste keer vluchtte ik, na twee weken pelgrimeren, terug naar Nederland. Een half jaar later kwam ik terug en hield stand. De chliché gaat dat je in Tokushima 'slechts' inloopt. Je oefent het tempelleven en traint je lijf. Na wat zweten op hoge bergen voel je je het mannetje. Maar dan komt Kochi. Daar valt niets te oefenen.
In Kochi leer je dat pelgrimeren niet over oefening gaat, maar over de afwezigheid van oefening.
Die kustroute, waar ik zo'n twee á drie dagen langs loop, kent door de aanleg van een superhighway in de bergen, alleen nog sporadisch lokaal verkeer.en daarmee bijna geen bedrijvigheid. De voetgangerspaden, afgescheiden door vaak verroeste hekken, zijn overwoekerd door onkruid, evenals de leegstaande restaurants en hotels, die als lege karkassen doen denken aan een Japanse horror-film, waarbij ik soms onwillekeurig in het donker van de ramen kijk of ik een geest zie. Metershoge bemoste betonwallen tegen bergflanken, troosteloos stille vissersdorpjes met lelijke metalen kranen en roestige boten, het houdt niet op
De zwart-zandige stranden, met betonnen protectie wallen in het water tegen tsunami's, doen potsierlijke pogingen om met overwoekerde parkeerplaatsjes, bonkige picknicktafels en leegstaande touristenstalletjes de indruk te wekken dat je hier gezellig een dagje strand kunt gaan doen. Deze misplaatste suggestie maakt de depressie eigenlijk alleen nog maar erger.
Nee, ik voel me hier altijd weer depressief en moet om het uur aan mijn eigen sterfelijkheid en die van mijn familie en vrienden denken, aan het onvermijdelijke feit dat alles van waarde in mijn leven ooit voorbij gaat, dat mijn tijd met mij ex-vriendin nooit meer terug komt en dat er ooit een tijd komt dat ik niet meer herinnert word.
Gatver...
En dan heb ik nog niet eens al die begraafplaatsen genoemd die hier om de vijftig meter voorbijkomen.
Ik slaap in een rusthut en de volgende morgen sta ik op in een plensbui. De regen loopt in stralen over het mos op de betonwallen, ik word door een voorbijrazende vrachtwagen niet gespaard, heb een paraplu die lekt en zweet door de extreme luchtvochtigheid zowat uit mijn regenpak. En ik loop maar door en maar door...
Als ik dan eindelijk moet schuilen is het enige afdak dat van een van die leegstaande horror-hotels. Ik zit geplakt tegen de stoffige deur, waar boven het raam uitzicht biedt op een sombere toonbank, met links en rechts donkere gangen.
Jezus, waarom ben ik hier? Waarom zit notabene ik, die in 2013 bewezen heeft deze ellende-route aan te kunnen, nou verdorie mijzelf weer zo te straffen? Ging deze nieuwe pelgrimagetocht niet over mijzelf en wat ik eigenlijk graag doe? 'Zeker', zegt mijn vaste huisduivel, 'maar je geeft altijd op en daarom moet je hem nog een keer lopen, zelfs in deze regenb....'
Donder op!, freak
Opeens breekt het.
Ik zit hier in de regen een oude wond open te krabben. Waarom?
Langzaam verdwijnt het geluid van de regen en herinner ik me de eerste tempel Ryozenji. Ik voel de warmte van de kaarsen en de wierook. Ik wacht bij de Hondo even tot ik alleen ben en steek dan een kaarsje op voor mijn ex-vriendin. Met het aansteken van die vlam laat ik misplaatste schuldgevoelens en zorgen om haar welzijn achter in de tempel, zodat ik met de essentie van wat goed tussen ons was kan vertrekken en er zo helemaal voor mijzelf kan zijn. Want zoveel weet ik wel, dat deze tocht voor mij is en voor niemand anders. Drie jaar geleden was deze tocht voor al diegenen met wie ik nog een rekening te vereffenen had. Ik was vaak boos, huilde en had lange gesprekken met familie - dood en levend - vrienden, ex-vrienden en ga zo maar door. Hoe meer ik mijzelf mentaal en fysiek afbeulde op de route, hoe bozer ik kon worden en hoe ontvankelijker ik was voor weggestopte gevoelens.
Ik nam tijd om achterom te kijken en dat was goed.
Maar nu voel ik me anders. De rekeningen zijn vereffend en ik voel een branden verlangen mijzelf volledig centraal te stellen. Omdat het namelijk de hoogste tijd is. En ik weet dat dat niet van nature gaat bij mij.
Ik zucht.
God wat een volstrekte nutteloze administratie heb ik gepleegd, over zoveel jaren, voor iedereen behalve voor mezelf!!
.
Ik sta op, loop nog wat onwennig met deze plotselinge rebellie naar het volgende treinstation en neem de trein naar leuker oorden; donder een eind op met je rotweg! Ik ga pelgrimeren! Echt pelgrimeren! En dat gaat niet over bewijzen dat ik iets kan volhouden, dat gaat over situaties scheppen waarin ik per dag doe wat leuk, gezellig en inspiratief voor mij is!. Ik ga deze reis vieren, bedrinken, bezingen en....ik heb zin om te schrijven!
Zo reis ik via slaapplaatsen als shinto-tempels, rustuisjes, B&B's en mijn lieve vriendin Misono, die een heerlijk guesthous runt in Tano, langzaam door naar Kochi City. En jazeker,, ik neem nu vaker de bus en de trein. En mocht ik het hiermee mezelf te makkelijk maken, wel, just let me know and i will suffer!
'Slik'.
Had ik dat maar niet gezegd.
Ergens in mijn zegetocht naar Kochi City loop ik tegen een persoon of rustplaats aan waardoor iets uit een rugzak, dan wel slaapgerei op me overspringt.
En dat 'iets' jeukt...
Iets ouder begint hij tussen zijn beklimmingen door te rusten, zodat hij zich even niet verplicht en schuldig hoeft te voelen. Dan doet hij alle deuren dicht en droomt. Maar het helpt niet. Na het rusten is het schuldgevoel nog groter dan daarvoor.
Jaren gaan voorbij. Hij krijgt rimpels en ook dunner haar. Het rusten duurt steeds langer en zijn rustplek raakt langzaam overwoekert door struiken. Op een dag kijkt hij in de spiegel en heeft tranen in zijn ogen. Het schuldgevoel en de verwarring zijn zo groot geworden dat hij niet meer weet of dat nou door het nutteloze klimmen of het rusten komt.
-----
In mijn tweede week verlaat ik, eindelijk alleen, mijn hotel in Tokushima en wandel vier dagen in het lieflijke landschap van de gelijknamige provincie, op weg naar mijn oude vijand; de provincie Kochi en dan met name Kaap Moroto. Ik slaap 's avonds in een rusthut op de parkeerplaats van een Michi No Eki, een service-stop voor reizigers. De volgende dag moet ik de berg ernaast op voor de beruchte tempels twintig en eenentwintig. Ze liggen op een hoge bergtop..maar ehh.. niet op dezelfde bergtop. Er zit een diepe vallei zonder accomodatie en voedsel tussen, dus met extra eten bikkel je op één dag twee keer straf omhoog en omlaag; twee keer vijfhonderd meter over dertien kilometer. Oja, het is ook erg heet en de luchtvochtigheid passeert de negentig procent.
Het slapen op straat is een aparte beleving. Terwijl mensen om mij heen inkopen doen, op weg naar hun gezin, vouw ik alleen mijn slaapzak uit. Deze keer overigens met een medereiziger, een oude Japanner. Eenmaal donker sluiten de winkels en wordt het stil op de parkeerplaats. Daar zitten we dan, met sushi en een biertje. Even later loop ik naar het - in Japan zeer vaak superschone - openbare toilet. Schichtig kijk ik of ik iemand zie aankomen. Als ik mij veilig waan, ga ik snel naar binnen, laat alles onder de riem zakken en was mijn onderlijf, daarna de rest.
Ik heb altijd moeite om te blijven slapen in een openbare plek op straat of in het park. Als ik het doe is het een pingpongen in mijn hoofd om die plek 'mijn' plek te laten worden. Daar zijn de rituelen van eten en wassen voor nodig. Als ik daarna in mijn slaapzak kruip is de plek 'van mij'.
Het is een ongewoon, maar heftig gevoel van vrijheid.
De volgende dag is het zover, ik zweet berg op en af en weer op...
Tempel eenentwintig is een van mijn vijf favoriete tempels. Hij bestaat uit een groot aantal gebouwen dat op die hele hoge top ook nog eens op verschillende niveaus is neergezet. Door de hoge bomen, die het geheel een rustige grandeur geven, hangt er altijd een wat blauw-grijs licht, dat in combinatie met de reflectie van de lichte tegels een bijna maanachtige waas veroorzaakt.
Na een paar dagen kom ik bij tempel drieëntwintig. in het kustplaatsje Hiwasa. De tempel kijkt schitterend uit over het stadje en de zee. Het is de laatste pleisterplaats voor die hele lange, eenzame tocht langs de kustroute van Kaap Moroto.
Door de zee verandert de hele sfeer, het is uit met de lieflijkheid. Twee keer eerder liep ik Kaap Moroto. De eerste keer vluchtte ik, na twee weken pelgrimeren, terug naar Nederland. Een half jaar later kwam ik terug en hield stand. De chliché gaat dat je in Tokushima 'slechts' inloopt. Je oefent het tempelleven en traint je lijf. Na wat zweten op hoge bergen voel je je het mannetje. Maar dan komt Kochi. Daar valt niets te oefenen.
In Kochi leer je dat pelgrimeren niet over oefening gaat, maar over de afwezigheid van oefening.
Die kustroute, waar ik zo'n twee á drie dagen langs loop, kent door de aanleg van een superhighway in de bergen, alleen nog sporadisch lokaal verkeer.en daarmee bijna geen bedrijvigheid. De voetgangerspaden, afgescheiden door vaak verroeste hekken, zijn overwoekerd door onkruid, evenals de leegstaande restaurants en hotels, die als lege karkassen doen denken aan een Japanse horror-film, waarbij ik soms onwillekeurig in het donker van de ramen kijk of ik een geest zie. Metershoge bemoste betonwallen tegen bergflanken, troosteloos stille vissersdorpjes met lelijke metalen kranen en roestige boten, het houdt niet op
De zwart-zandige stranden, met betonnen protectie wallen in het water tegen tsunami's, doen potsierlijke pogingen om met overwoekerde parkeerplaatsjes, bonkige picknicktafels en leegstaande touristenstalletjes de indruk te wekken dat je hier gezellig een dagje strand kunt gaan doen. Deze misplaatste suggestie maakt de depressie eigenlijk alleen nog maar erger.
Nee, ik voel me hier altijd weer depressief en moet om het uur aan mijn eigen sterfelijkheid en die van mijn familie en vrienden denken, aan het onvermijdelijke feit dat alles van waarde in mijn leven ooit voorbij gaat, dat mijn tijd met mij ex-vriendin nooit meer terug komt en dat er ooit een tijd komt dat ik niet meer herinnert word.
Gatver...
En dan heb ik nog niet eens al die begraafplaatsen genoemd die hier om de vijftig meter voorbijkomen.
Ik slaap in een rusthut en de volgende morgen sta ik op in een plensbui. De regen loopt in stralen over het mos op de betonwallen, ik word door een voorbijrazende vrachtwagen niet gespaard, heb een paraplu die lekt en zweet door de extreme luchtvochtigheid zowat uit mijn regenpak. En ik loop maar door en maar door...
Als ik dan eindelijk moet schuilen is het enige afdak dat van een van die leegstaande horror-hotels. Ik zit geplakt tegen de stoffige deur, waar boven het raam uitzicht biedt op een sombere toonbank, met links en rechts donkere gangen.
Jezus, waarom ben ik hier? Waarom zit notabene ik, die in 2013 bewezen heeft deze ellende-route aan te kunnen, nou verdorie mijzelf weer zo te straffen? Ging deze nieuwe pelgrimagetocht niet over mijzelf en wat ik eigenlijk graag doe? 'Zeker', zegt mijn vaste huisduivel, 'maar je geeft altijd op en daarom moet je hem nog een keer lopen, zelfs in deze regenb....'
Donder op!, freak
Opeens breekt het.
Ik zit hier in de regen een oude wond open te krabben. Waarom?
Langzaam verdwijnt het geluid van de regen en herinner ik me de eerste tempel Ryozenji. Ik voel de warmte van de kaarsen en de wierook. Ik wacht bij de Hondo even tot ik alleen ben en steek dan een kaarsje op voor mijn ex-vriendin. Met het aansteken van die vlam laat ik misplaatste schuldgevoelens en zorgen om haar welzijn achter in de tempel, zodat ik met de essentie van wat goed tussen ons was kan vertrekken en er zo helemaal voor mijzelf kan zijn. Want zoveel weet ik wel, dat deze tocht voor mij is en voor niemand anders. Drie jaar geleden was deze tocht voor al diegenen met wie ik nog een rekening te vereffenen had. Ik was vaak boos, huilde en had lange gesprekken met familie - dood en levend - vrienden, ex-vrienden en ga zo maar door. Hoe meer ik mijzelf mentaal en fysiek afbeulde op de route, hoe bozer ik kon worden en hoe ontvankelijker ik was voor weggestopte gevoelens.
Ik nam tijd om achterom te kijken en dat was goed.
Maar nu voel ik me anders. De rekeningen zijn vereffend en ik voel een branden verlangen mijzelf volledig centraal te stellen. Omdat het namelijk de hoogste tijd is. En ik weet dat dat niet van nature gaat bij mij.
Ik zucht.
God wat een volstrekte nutteloze administratie heb ik gepleegd, over zoveel jaren, voor iedereen behalve voor mezelf!!
.
Ik sta op, loop nog wat onwennig met deze plotselinge rebellie naar het volgende treinstation en neem de trein naar leuker oorden; donder een eind op met je rotweg! Ik ga pelgrimeren! Echt pelgrimeren! En dat gaat niet over bewijzen dat ik iets kan volhouden, dat gaat over situaties scheppen waarin ik per dag doe wat leuk, gezellig en inspiratief voor mij is!. Ik ga deze reis vieren, bedrinken, bezingen en....ik heb zin om te schrijven!
Zo reis ik via slaapplaatsen als shinto-tempels, rustuisjes, B&B's en mijn lieve vriendin Misono, die een heerlijk guesthous runt in Tano, langzaam door naar Kochi City. En jazeker,, ik neem nu vaker de bus en de trein. En mocht ik het hiermee mezelf te makkelijk maken, wel, just let me know and i will suffer!
'Slik'.
Had ik dat maar niet gezegd.
Ergens in mijn zegetocht naar Kochi City loop ik tegen een persoon of rustplaats aan waardoor iets uit een rugzak, dan wel slaapgerei op me overspringt.
En dat 'iets' jeukt...
Hartverscheurend mooi en invoelbaar. 🙏🏼
ReplyDeleteDank je voor je responses elly. We hebben veel bij te praten als ik terug ben!!
DeleteI think you are taking this as a whole in your journey, which is really good. Very well written and thanks for showing a virtual tour of your journey. Looks like you want to return :)
ReplyDeleteHaha...not returning to the island of that is what you mean.
ReplyDeleteBut 'returning'...yes:-)
I mean 'returning' to your world :)
ReplyDelete