Tuesday, 6 December 2016

Tegen de muur

De eerste avond na Matsuyama kom ik in een stil havenbuurtje aan bij een B&B die zich nog het best laat omschrijven - sorry dat ik het zeg - als een goedbedoelde klerenbende met een gestresste Japanner erin. Ik ontmoet daar ook, voor de tweede keer, een Australisch stel op de fiets en ben verbaasd dat ze mij niet al voorbij zijn.
Als ik de volgende ochtend afscheid van de eigenaar neem en belangstellend naar de naam van zijn hond vraag, kijkt hij me voor de zoveelste keer opgefokt aan en geeft zijn businesscard.
'I gave you this card last night', zegt hij kortaf. Dat klopt maar dat vroeg ik niet. Dus vraag ik langzamer naar de naam van zijn hond. Hij wordt geirriteerd en wijst weer naar die kaart.
'Here, i gave you my card last night!'
Ik voel een doodlopend moment aankomen qua geduld, pak mijn boeltje, buig kort en vertrek. Op straat bekijk ik die businesscard nog eens beter... Staat die verdomde hond erop! Zijn B&B heeft de naam van die hond.

Na Matsumaya hoef ik in principe nog maar dertien kilometer per dag te lopen, ik lig enorm voor op schema! Dat komt goed uit, want zowel mijn geest als lijf hebben dringend vertraging nodig. Mijn knieën doen pijn en ik wil vaak en veel schrijven!
De B&B die ik verlaat ligt aan een meerdaagse kustroute vanaf Matsumaya naar de op schitterende bergtoppen gelegen tempels achtenvijftig en zestig.
De  hele ochtend loop ik door sombere industriedorpjes, maar ik geniet! Drie jaar geleden liep ik hier midden in de nacht, door de regen, met een zaklamp mijn weg te zoeken. Nu zie ik wat ik toen miste, bloedmooie uitzichten over eilanden voor het vaste land van Hiroshima waar boven woeste wolken zich samenpakken.
In een saai, druilerig dorpje zit ik in een oase van een lunchroom als ik tot mijn verbazing die Australische fietsers weer zie aankomen. Die waren toch eerder vertrokken uit die B&B?  Als zij mijn verbazing zien, legt de vrouw van het stel uit dat ze, ondanks hun snelle fietsen, niet bepaald..eh... 'haast' hebben. We schieten alledrie in de lach en ik vertel hen van mijn 'vertragingsmodus' die ook mij geen klap verder helpt. We mediteren gezamelijk over het feit dat als zij mij al niet kunnen inhalen ze zich serieus moeten afvragen waar ze eigenlijk mee bezig zijn.
Ik opper: 'Genieten wellicht?'
We heffen onze koffie en toasten. 'Op het Grote Genieten!'
Na een leuk gesprek vertrekken de twee en schrijf ik nog een paar uur door.

's Middags boek ik een hotel voor de volgende stad, Imabari, en ik moet lachen om de overduidelijke hint van het lot. Want mijn enige optie in Umbari is een guesthouse... voor fietsers! Ik heb weinig gelopen vandaag, maar Ik heb zo maar een idee wie ik daar ga aantreffen.. En verdomd hoor, de luie varkens, als ik binnenkom - in overigens de leukste lodging van mijn hele reis - zitten daar aan de bar twee zwaar grijnzende koppies! Zweetloos en wel.
's Avonds gaan we met zijn drieën uit eten bij de Japanse grill en toasten we weer. Maar nu op de prille vrucht in haar buik...
Dàt is dus de reden voor hun lage reistempo.

De volgende dag volg ik de stijle route omhoog naar Senyuji, tempel achtenvijftig, een oud pad met verweerde beelden, bloenenperken en reusachtige bomen. Gelukkig is mijn rugzak lichter. Mijn knieën gaan me steeds meer last bezorgen, daarom heb ik spullen teruggestuurd naar Tokushima.
Ik blijf 'boven' slapen in het tempelhotel waardoor ik de volgende dag de ochtenddienst in de tempel kan meemaken. Drie jaar geleden maakte deze dienst een enorme indruk op me. Ik snakte naar rituelen, betekenis, reiniging wellicht. Deze keer word ik echter totaal niet geraakt. Maar dat verbaasd met niet omdat ik de laatste weken steeds minder behoefte aan spirituele momenten heb. Alsof de ruimte en adem die ik mijzelf nu eindelijk gun mijn dagelijkse leven genoeg plezier en diepte geeft.

De volgende dag, na de afdaling, ontmoet ik Yuko, een Japanse pelgrim, met wie ik momenteel het zelfde tempo qua lopen heb. Zij belt haar B&B, heel bijdehand - ik heb niets in te brengen - en dubbelt mij op op haar kamer. Gelukkig maar, want het stadje, dat aan de voet van de berg naar Yokomineji, tempel zestig, lijkt volledig volgeboekt die avond. Maar waar mevrouw lekker de trein daarheen neemt, loop ik het hele eind. Echter wel schrijvend in te veel cafe's. En dat laatste breekt me op. Met mijn tong in mijn nek kom ik nog net op een christelijk uur aan in de B&B, waar ik onder de douche de schrik van mijn leven krijg. Ik heb een bruine plek, over mijn hele  linker knieschijf. Een soort bloeduitstorting.
Eindelijk besef ik dat ik naar een dokter moet. En misschien kan ik die berg niet op morgen.

Maar eerst komt die dag van morgen. En dat wordt de meest verwarrende uit mijn hele tocht.
Ik eet mijn ontbijt in het cafe van een supermarkt. Daar chat ik met wat vrienden. Ik grap tegen Kelly dat ik mijn planning zo zeer aan het los laten ben dat ik over een week misschien wel in Tokushima zit om daar de rest van de tijd te schrijven, dat is namelijk ook pelgrimeren! Maar als ik de grap maak, besef ik dat ik geen grap maak. En ik denk voor het eerst aan de optie voortijdig stoppen. Dan stuur ik Rick een chat, over mijn knie. En de reactie die ik daarop krijg verandert mijn hele tocht in één klap.

"Dat klinkt niet zo goed (aangaande de voet). Mag ik je ter overweging meegeven dat je niet moet? Moet lopen. Moet afmaken van tocht. Gooi die drang in de zaken waar je je toekomst mee wilt vullen"

De laatste zin is in wezen niet meer dan wat aanmoedigende woorden, maar hij raakt me diep. Hij beschrijft haarscherp een aspect van mijn karakter waar ik mee strijd. Maar de woorden veroordelen niet en laten alleen een andere richting zien, zodat de energie van mijn karakter niet verloren gaat.
Het ontroert me als ik voor het eerst besef wat mededogen betekent. Mededogen naar mijzelf.

Ik herhaal de zin in mijn hoofd, een zucht komt uit mijn tenen en ik kijk naar in- en uitlopende klanten.
'Wat een reis', mompel ik glimlachend.
'Wat een vrienden, wat een leven. Dat ik dit allemaal heb'.
Mededogen naar mijzelf...dat is waar ik al zo ontzettend lang naar verlang en zo zelden voor mijzelf heb. Die woorden komen werkelijk op het allerbeste moment in mijn leven!

Ik hoop dat niemand mij ziet die ochtend, want ik ben net een soort vleugellamme vlieg, die rondtolt door de straatjes en geen richting kan kiezen. Ik ben zo van slag van alles dat de vragen, terwijl ik op een muurtje ga zitten, als een mortiervuur door mijn hersenen schieten. Ik voel de druk tot in mijn oren, zo overkookt zijn mijn hersenen. Als een kachel die gaat loeien bij een open raam. Ik ben in een vacuüm terechtgekomen. Een lege plek waar ik nog nooit keuzes heb gemaakt:
'Ik wil die berg op.. ja maar je knieeen dan... ja maar ik hou zo van klimmen..  ach donder op, je wil naar een hotel en schrijven... klopt, maar misschien mis ik dan een bijzonder moment daar hoog... Eikel!! Pak de trein naar een hotel, je kunt niet alle mooie dingen meemaken, overgefixeerde ADHD-er! Ga genieten en schrijf!

Dan keer ik de berg resoluut de rug toe en loop naar het station. Een uurtje later kom ik aan in het iets verderop gelegen Sajio, check in bij een hotel op een klein stationspleintje met een gezellige lunchroom. De volgende dag zit ik bij de dokter in het ziekenhuis. Na een scan komt hij met het goede nieuws dat er niets ernstigs is. Maar....u moet minder lopen en niet zo snel.
'Goh dokter, werkelijk dokter? Dat weet ik pas sinds ik uit de luiers kroop maar toch bedankt'.

's Middags zit ik weer in de lunchroom, de woorden stromen uit mijn vingertoppen.

1 comment:

  1. Goed van je Ingmar! Wat een zelfinzicht en zelfkennis. En die discussie in je hoofd, zeer herkenbaar! Bang iets te missen, aan de andere kant van de heuvel is het gras altijd groener...

    Trouwens die stad heet Imabari en niet Umbari.
    Liefs van mij

    ReplyDelete