Als ik Iyadaniji verlaat ben ik klaar met pelgrimeren.
De vraag is nu, ga ik stoppen om een week te schrijven in Tokushima? Of loop ik de ruim honderdvijftig kilometer door en sluit de cirkel. Want dat is eigenlijk het mooiste moment van de hele tocht.
Ik ben er nog niet over uit.
Het is nog dagen lopen naar de hoofdstad van Kagawa, Takamatsu. Toch verstedelijkt het landschap in rap tempo. Ik kom aan in Zentsuji-Shi, een stad genoemd naar de eerbiedwaardige vijfenzeventigste tempel. Het enorme complex van tempels en administratieve gebouwen is de geboorteplek van Kukai en daarmee het kloppend hart is van de Henro. Ik begrijp het sentiment, maar ik voel me hier te veel in een soort Bethlehem en houd mijn bezoek kort.
Verering, het is niet mijn ding.
Nee, geef mij dan maar het ongemakkelijke en kleine Koyamaji vlak daarvoor. Drie jaar geleden liep ik deze vierenzeventigste tempel binnen via de lelijke, modernistische achteruitgang. Ik zag de kale binnenplaats en achter de hoofdingang die lelijke, luidruchtige fabriek. De tempel ligt tegen een beboste berg, maar in mijn boeken verdween zij als de minst aantrekkelijke tempel van de hele tocht. Omdat ik niet meer pelgrimeer ontstaat er, nu ik deze gekneusde plek wederom bezoek, een gevoel van wederkerigheid in mijn hoofd die mij voorstelt deze tempel extra aandacht te geven. Ik ben haar dat eigenlijk wel verschuldigd.
Er rijden twee kleine opgewonden kinderen op een fietsje op het verder volkomen verlaten tempelterrein. Ik stel me rustig open voor de sfeer en zie dan iets dat ik eerder niet zag. Ik loop naar een hoger gedeelte, in de schaduw van de berg. Het is een klein heiligdom, een half in de berg uitgehouwen 'hol' met wat beelden. Ik had zoiets primitiefs niet verwacht, juist hier niet. Als ik de geur van mijn opgestoken wierook ruik, vouw ik in een impuls mijn handen en 'vraag' of deze plek beschermd kan worden en zijn oorspronkelijke glorie terug mag krijgen.
Later die dag blijft de tempel mij bezighouden. En als ik vervolgens wat achtergronden lees over haar blijkt een oude man Kukai gevraagd te hebben deze tempel te bouwen. De man zou in ruil het heiligdom zijn eeuwige bescherming geven!
Nou ja, grijns ik in mijzelf, ik ben dan wel klaar met de tocht, maar de tocht duidelijk niet met mij!
Na mijn korte bezoek aan Zentsuji kom ik vlak bij de volgende tempel Konzoji een oude bekende tegen die ik al verwachtte. Als ik langs zijn huis loop komt hij - een oude man - de deur uit en geeft mij, net als drie jaar daarvoor, een kleine poppetje. In het lijfje zit een briefje met tekst. Ook nu weer maakt hij op mij een wat verstijfde en onrustige indruk. Waarom moet die man de hele dag osettai - een gift aan pelgrims - uitdelen? Uit respect zal ik dit poppetje thuis bij de ander leggen.
In de rustruimte van Konzoji neem ik eindelijk een besluit over de rest van mijn tocht. Ik loop in vijf dagen naar het beginpunt, Ryozenji. Daarna reis ik naar Osaka om nog acht dagen schrijvend te genieten van het einde van mijn reis! Na lang zoeken vind ik een appartement met keuken, badkamer en zelfs een balkon, in de volkse buurt Abeno en reserveer. Ik kan niet wachten!
Als ik opkijk uit mijn gemijmer en de pelgrims en de tempel zie, besef ik dat ik hier nog wel ben, maar dat mijn hart niet meer in de tocht is. Maar ja, is dat nou juist niet de essentie van pelgrimeren, gaan waar je hart je leidt? Acht dagen in Osaka zijn is dus ook pelgrimeren!
Maar toch, afscheid hangt in de lucht. Die nacht logeer ik in een Zenkonyado - een gratis/goedkope slaapplek voor pelgrims - in de schaduw van tempel achtenzeventig, gerund door een oud echtpaar. Zij doen dit al heel lang en zijn een begrip onder pelgrims. 's Avonds zit ik met nog een paar andere pelgrims in de woonkamer. De oude man laat mij vol trots tientallen foto's, teksten en tekeningen zien die bezoekers voor hem maakten. Achter zijn trots en enthousiasme voel ik zijn tranen. Indachtig mijn eigen op handen zijnde afscheid denk ik dat ik hem wel begrijp.
De volgende dag trek ik het hooggebergte van Goshikidai in, waar de buitengewoon mooie tempels Shiromineji en Negoroji liggen. Samen met de tempel Kokubunji - die 'beneden' ligt - vormen zij een driehoek van vele kilometers stijgende en dalende bospaden en wegen.
Na een flinke stijging komen de beruchte traptreden naar Shiromineji. In vier jaar pelgrimeren bouwde ik de gewoonte op om omlaag te kijken bij een beklimming. Ik vermeed daarmee ontmoediging en hield mezelf in het moment. Maar op deze statige traptreden, begeleid door een haag van gedenkstenen - die de klim iets van een mystieke initiatie geven - vraag ik me af of vermijding, en dan niet alleen op trappen, nog wel nodig is voor mij. Ik moet toch verdorie dat doel kunnen zien liggen, zonder ontmoedigd te raken?! Ik kijk naar boven en zie een zee van traptreden. Ok, let's improve! Ik blijf omhoog kijken terwijl ik stijg. Mijn ongeduld maakt mijn benen loodzwaar en ik voel alles intenser, mijn zweet, mijn rug, mijn voeten, alles. Maar ik bespot en daag uit en besef dat dit over wilskracht gaat.
Voor ik het weet is mijn ongeduld weg en loop ik gewoon omhoog.
Bij Shiromineji ben ik zo voldaan dat ik na een korte lunch niet de tempel bezoek, maar meteen weer vertrek! ik heb zelfs bij deze schitterende tempel blijkbaar niets meer te doen.
De volgende tempel, Negoroji, ligt in de dikke bebossing van het berggebied. Je betreedt het via een mooie poort, waarna je atypisch een trap afloopt en door een schitterende bostuin twintig meter verder weer omhoog loopt naar het eigenlijke tempelterrein. Dat tempelterrein lijkt een soort oude kloostertuin, met oude gebouwtjes, op diverse niveau's, veel begroeiing en veel overdekte doorgangen met beelden. De oude bomen staan in volle herfst-tooi. Wat een intense sfeer van oude spirituele oefening hangt hier! Ik weet het deze reis zeker; dit is mijn favoriete tempel.
Maar er is ook dat bezoek, acht maanden geleden, toen ik hier met vriend Rick was, aan het einde van een roerige vakantie. Rick vond in sommige rituelen hier een manier om iets emotioneels af te sluiten, om vrede te vinden. Zijn welbewust voornemen dit in Japan te 'laten gebeuren' inspireerde mij en bij Negoroji nam ik het besluit over mijn relatie.
Als ik de bergen inloop is mijn ex-vriendin dichter bij dan ooit. Zij is heel de tocht bij mij geweest, maar hier, waar die sfeer van de onvermijdelijke terugreis naar huis nog hangt, kan ik er niet om heen. Ik voel me verdrietig om de hoop en de liefde die afgebroken zijn.
Na Negoroji houdt mijn 'spirituele spijbelgedrag' niet op. Ik besluit twee andere tempels ook over te slaan en meteen door te lopen en 'treinen' naar Takamatsu en daar een hotel te nemen. De volgende dag volg ik weer braaf het pad. Ik moet voor Yashimaji als Yakuriji - de vier- en vijfentachtigste tempel - twee keer een berg op en af. Na mijn ontdekking dat omhoog kijken niet tot ontmoediging leidt ga ik er vol voor! Tip voor de pelgrims onder mijn lezers: loop bij Yashimaji vóór de poort naar links langs de winkeltjes. Er wacht je dé verassing van de tocht: het meest weide panorama van de hele pelgrimage; uitzicht op de zee, Takamatsu, en de bergen erachter!
Maar dan, zo typisch aan het eind van mijn tocht, krijg ik de kans om 'achter de voorhang' te kijken. Achter elk verschijnsel ligt het ruwe materiaal waar het uit is opgebouwd. Vaak als idee, maar soms in materie uitgedrukt. En vlak voor Nagaoji, de zevenentachtigste tempel, staat diens 'Okunoin' - het 'binnenste heiligdom'. Elk van de achtentachtig tempels heeft een Okunoin, welke vlakbij, maar soms kilometers verder weg ligt. Het zijn vaak zeer oude plaatsen van religieuze oefening.
Deze Okunoin ligt tussen een paar huizen in een gehuchtje vlak voor Nagaoji.
De kleine binnenplaats heeft een overspanning met seringen. Naast het tempeltje begint een woonhuis, waar ik voor het raam, tussen stoffige paperassen, een oude monnik zie schrijven. Ik knik en zet mijn rugzak bij een bankje. Ik heb net wierook aangestoken als de monnik door een deur de tempel inloopt en een voor mij onbekend ritueel gaat uitvoeren. Achter de gesloten luiken hoor ik het geprevel van teksten. Dan stopt dat en hoor ik opeens het blazen op een hoorn van een dier. Gefascineerd blijf ik luisteren naar het primitieve geluid dat afgewisseld wordt met meer geprevel en het geschud van bellen.
Na al die mooie, maar drukbezochte tempels van de afgelopen weken, onderga ik hier, tussen oude stenen, een waslijn met kleding, bloempotten en fietsenrekken, een ongepolijst, rauw ritueel dat onwelkom door mijn bloed heen drukt en mijn geest terugvoert naar brute, heidense tijden waar de afhankelijkheid van de godheid nog volledig was; dierlijk en universeel.
Ik loop bedeesd weg, alsof ik getuige was van iets dat niet voor mijn ogen en oren bestemd was.
Mijn laatste dag als pelgrim is begonnen.
🙏🏼👍🏼🐸
ReplyDeleteVriend Ingmar, in mijn ogen word jij steeds meer een boeddhist. Waarom? Ik zie je lijden kleiner worden, ik zie je leiden groeien. Quod scripsi, scriptum est, meent goede vriend Rick.
ReplyDeleteWaarde vriend, uitleg is nodig. De observatie is schitterend geformuleerd, maar waar is het lijden? En wat is 'boeddhisme'?
ReplyDeleteDat lijden leg ik uit. Maar niet hier.
DeleteEn jij weet toch wel wat boeddhisme is? Wat kenmerken van deze levensbeschouwelijke - sommige zeggen zelfs religieuze -stroming zijn? Of doe je je weer voor als een onwetende die heus wel weet? Ook een optie: opzoeken op internet wat het is. :-)
Mmm....waarom krijg ik het idee dat ik geen antwoord op mij vraag krijg?:-))
ReplyDeleteIk ben dan weliswaar een goeroe, maar dan wel een die zijn volgelingen het zelf laat uitzoeken en enkel wedervragen stelt. Dus waarom denk je dat jezelf het antwoord weet te vinden?
Delete