Ik sta bij de Hondo van Iyadaniji, de eenenzeventigste tempel. Zoals altijd is mijn hoofd gebogen, zijn mijn ogen dicht en sta ik open voor wat komt. Maar dan - zonder dat ik het per se zelf wil - gaan mijn ogen open. Ik richt me op en een spier die van mijn nek naar mijn ruggengraat loopt ontspant zich. De ruimte die daardoor in mijn borst ontstaat veroorzaakt een diepe inademing.
Ik ben klaar.
Ik ben klaar met pelgrimeren. Ik ben klaar met naar binnen kijken, omdat ik weet wat ik wil. Als ik nu nog doorga met handen vouwen en visualiseren zou het een pose zijn.
-----
Na tempel zestig slingert het Henro-pad dagen lang om autoroute 11 heen. Pas bij Shikoku-Cho klimt het rechts de bergen in, langs de rand van de berg Hiraishi. Uiteindelijk volgt de beklimming van de berg die zijn naam ontleent aan de oude tempel die op de top staat, Unpenji, de zesenzestigste tempel, het hoogste punt van de hele pelgrimage, negenhonderd meter. Hierna loop je de vierde provincie Kagawa in.
Maar ik heb helemaal geen trek in dat lange stuk langs route 11, dorpje in, dorpje uit. Na vijftien kilometer lopen neem ik de trein naar Shikoku-Cho en check in bij een oude bekende, Hotel Mild. En niet één nacht, maar wederom twee. Drie jaar geleden werd ik bij binnenkomst in Hotel Mild verrast door de stem van een Nederlandse discjockey over de speakers; ze bleken Sky Radio te hebben! In Shikoku-Cho of all places! Nu loop ik voor de tweede keer binnen en verdomd, nog steeds Sky Radio, de hele dag door. Ik spreek geen Japans dus ik zal nooit te weten komen waarom.
Na anderhalve dag schrijfplezier vertrek ik weer, de bergen in. Ik verheug me op een hele dag hooggebergte, dorpjes en leuke rusthutten voor pelgrims.
Ik heb het al eerder geschreven, maar mijn sociale behoeftes op deze reis zijn minimaal. Maar bovenaan de lijst van 'te vermijden menselijk contact' prijkt de 'Praatgrage. Oudere, Japanse Pelgrim-man'. Het is ongetwijfeld onredelijk en cultureel discriminatoir, maar ik vind oudere Japanse pelgrim-mannen door de bank genomen opgewonden, nieuwsgierige wijsneuzen.
Langs de rivier Kinsei lopend haal ik er eentje in die aan de andere kant van de weg loopt. Zodra hij mij ziet dwingt hij mij opgewonden zwaaiend naar zijn kant, waar het wat veiliger lopen is. De zorgzaamheid is aandoenlijk, maar ik weet wat volgt. In rap Japans begint hij met het stellen van persoonlijke vragen, daarbij opdringerig naar mij toebuigend. Ik geef vrij kortaf aan dat ik geen Japans spreek (wat ik ook zou doen als ik de taal wel machtig was btw) maar dat werkt niet bij Praatgrage, Oudere Japanse Pelgrim-mannen. Dus loop ik gewoon bot van hem weg. Dan mompelt hij opeens in het Engels:' Well, i do speak English'. En om het erger te maken herhaalt hij die zin een paar keer, daarbij met zwaaigebaren vermoedelijk mij en mijn on-Japanse rothouding over de reling de rivier in kieperend. Stiekem schaam ik me wat, want je moet het wel heel bont maken wil je een Japanner zo openlijk dramatisch krijgen.
Maar goed, ik ben wel van hem af... denk ik.
De beklimming van de berg Unpenji kent drie routes. Bij de laatste daarvan is slechts één B&B en daar wil ik slapen. Als ik aankom zie ik tot mijn ergernis mijn Japanner bij de ingang zitten. Hij gebaard me weer en ik knik minzaam, wetend hoe onredelijk ik ben. Hij vertelt dat de B&B vol is en de eigenaar van een verderop gelegen B&B hem komt ophalen met de auto...
...of hij even voor mij moet opbellen, om te reserveren...?
Slik..
Ik stotter een 'Ja, graag, bedankt'.
Even later zit ik achter in de auto, terwijl de Japanner vrolijk praat met de bestuurder, en voel me een enorme kleuter in een enorme hoek.
'Daar ga je met je botte gedrag, 'Mister Self-realisation'. Met al je diepe Zen-shit. Het is maar goed dat jij bent blijven door pelgrimeren.'
De volgende ochtend, zes uur, hangt er een dikke mist in de donkere bergen als ik aan de zeer stijle bergroute begin. De route wordt omschreven als 'Henro Korogashi'; 'de pelgrim valt om'. Een aanduiding voor de zwaarste parcours in de tocht. Deze is twee en een halve kilometer lang, zonder horizontale gedeeltes.
Hoe hoger ik klim, hoe dikker de nevelflarden. De herfstbladeren en vochtige aarde wasemen een heerlijke aardse geur uit. Als ik de kern van de mistwolk instap lijkt deze al het geluid uit de vallei op te slokken. Het is helemaal stil. Hogerop, als ik er na twintig minuten weer uitloop, breekt ochtendlicht door de nevel en zie ik hoe ranke bomen de diepte van de vallei zichtbaar maken. Ik voel me bijna gedrogeerd door de sprookjesachtige sfeer om mij heen. Dan, zonder overgang, loop ik het bos uit, het volle licht in en is mijn klim over.
Ik sta op een eenzame asfaltweg die letterlijk over de kam van de berg loopt. Ik ben op de top! Links zie ik de verre bergen van Kagawa, rechts die van Tokushima. De zon breekt door en schijnt fel op de gele en oranje bladeren van bomen en struiken. Grote mistflarden kruipen traag van rechts omhoog, over de weg waar ik loop, en glijden aan de andere kant weer naar beneden. Ik sta midden in een trage, tijdloze voortgang.
Het is een glorieus moment. Voor mijn hart en mijn geest. Hier loop ik, in de frisse ochtendlucht, en geniet van dit alles omdat ik weer voor Shikoku koos. Tegen alle verbazing van vrienden en familie in, vertrok ik toch weer en kijk dan! Ik ben zomaar getuige van een van de vele geheime bijeenkomsten der elementen op een plek die bijna niemand bezoekt.
Een half uur later loop ik het terrein van de eerbiedwaardige tempel Unpenji op.
De Hondo is exact vierkant, net een kubus. Het is een nieuw gebouw, want het hout is nog licht en glad. Een derde van de ruimte is voor bezoekers, daarna is er een afscheiding waarachter zich de heiige voorwerpen, kaarsen en een altaar bevinden.
Als ik in de Hondo binnenkom heb ik opeens een emotionele reactie. Het is me vaker overkomen in de tocht. En altijd door de relatie tussen tempelgebouwen en de omgeving of de objecten die erin staan. De aard van die ruimtelijke verhoudingen roept een verlangen op naar iets dat ik niet meer heb, maar waar ik ooit thuis was. De beklemming van een herinnering aan eenzaamheid, alsof ik ooit verstoken was van iedereen, door eigen keuzes. Ik sta minuten lang de ruimte in mij op te nemen en vind het prettig om die beklemming te herkennen en te voelen.
Terug uit de bergen, in Kagawa, wandel ik Daikoji, tempel zevenenzestig, binnen. Deze ligt midden tussen de rijstvelden, maar wel op een heuvel, waarop een hele oude, reusachtige boom groeit, die geplant zou zijn door Kukai zelf. Hij strekt, samen met een aantal andere reuzen, zijn takken uit over de oude trap naar de Hondo.
Ik voel al de hele dag dat langzaamaan het einde van de tocht gaat naderen. Terwijl ik mijn ogen dichtklem bid ik intenser dan ooit dat ik, eenmaal weer in Nederland, niet overspoeld word met de oude manier van denken en voelen en al het waardevolle dat ik hier opdoe niet in rook zal opgaan.
Hoe kom ik van mijn faalangst af?!
Op het moment dat ik die vraag stel heb ik het antwoord al. Maar ik besef dat het antwoord er al die tijd al was; toen ik op de eindeloos route langs Kaap Moroto liep; toen ik trap na trap bergtempels besteeg, gebogen bij Hondo's stond, maar eigenlijk al voor mijn reis, toen ik lamlendig op mijn bank in Amsterdam lag, ziek en teneergeslagen, wist ik het:
Als na alles dat hier beleefd en doorgemaakt is niets mij meer in de weg staat om te doen wat ik wil, en uiteindelijk ik en mijn faalangst overblijven, en de wurggreep van het 'te ver gelegen doel' mij dreigt te verlammen, dan blijft er één ding over:
Beginnen.
Maar, stap voor stap.
De enige manier om te doen wat ik wil, is door het stap voor stap te doen.
Ik loop weg van Daikoji. Er zijn geen kerkklokken die gaan beieren, geen juichende menigte langs mijn pad als ik verder trek. Alleen maar het plezier van buiten lopen.
Ik ben klaar.
Ik ben klaar met pelgrimeren. Ik ben klaar met naar binnen kijken, omdat ik weet wat ik wil. Als ik nu nog doorga met handen vouwen en visualiseren zou het een pose zijn.
-----
Na tempel zestig slingert het Henro-pad dagen lang om autoroute 11 heen. Pas bij Shikoku-Cho klimt het rechts de bergen in, langs de rand van de berg Hiraishi. Uiteindelijk volgt de beklimming van de berg die zijn naam ontleent aan de oude tempel die op de top staat, Unpenji, de zesenzestigste tempel, het hoogste punt van de hele pelgrimage, negenhonderd meter. Hierna loop je de vierde provincie Kagawa in.
Maar ik heb helemaal geen trek in dat lange stuk langs route 11, dorpje in, dorpje uit. Na vijftien kilometer lopen neem ik de trein naar Shikoku-Cho en check in bij een oude bekende, Hotel Mild. En niet één nacht, maar wederom twee. Drie jaar geleden werd ik bij binnenkomst in Hotel Mild verrast door de stem van een Nederlandse discjockey over de speakers; ze bleken Sky Radio te hebben! In Shikoku-Cho of all places! Nu loop ik voor de tweede keer binnen en verdomd, nog steeds Sky Radio, de hele dag door. Ik spreek geen Japans dus ik zal nooit te weten komen waarom.
Na anderhalve dag schrijfplezier vertrek ik weer, de bergen in. Ik verheug me op een hele dag hooggebergte, dorpjes en leuke rusthutten voor pelgrims.
Ik heb het al eerder geschreven, maar mijn sociale behoeftes op deze reis zijn minimaal. Maar bovenaan de lijst van 'te vermijden menselijk contact' prijkt de 'Praatgrage. Oudere, Japanse Pelgrim-man'. Het is ongetwijfeld onredelijk en cultureel discriminatoir, maar ik vind oudere Japanse pelgrim-mannen door de bank genomen opgewonden, nieuwsgierige wijsneuzen.
Langs de rivier Kinsei lopend haal ik er eentje in die aan de andere kant van de weg loopt. Zodra hij mij ziet dwingt hij mij opgewonden zwaaiend naar zijn kant, waar het wat veiliger lopen is. De zorgzaamheid is aandoenlijk, maar ik weet wat volgt. In rap Japans begint hij met het stellen van persoonlijke vragen, daarbij opdringerig naar mij toebuigend. Ik geef vrij kortaf aan dat ik geen Japans spreek (wat ik ook zou doen als ik de taal wel machtig was btw) maar dat werkt niet bij Praatgrage, Oudere Japanse Pelgrim-mannen. Dus loop ik gewoon bot van hem weg. Dan mompelt hij opeens in het Engels:' Well, i do speak English'. En om het erger te maken herhaalt hij die zin een paar keer, daarbij met zwaaigebaren vermoedelijk mij en mijn on-Japanse rothouding over de reling de rivier in kieperend. Stiekem schaam ik me wat, want je moet het wel heel bont maken wil je een Japanner zo openlijk dramatisch krijgen.
Maar goed, ik ben wel van hem af... denk ik.
De beklimming van de berg Unpenji kent drie routes. Bij de laatste daarvan is slechts één B&B en daar wil ik slapen. Als ik aankom zie ik tot mijn ergernis mijn Japanner bij de ingang zitten. Hij gebaard me weer en ik knik minzaam, wetend hoe onredelijk ik ben. Hij vertelt dat de B&B vol is en de eigenaar van een verderop gelegen B&B hem komt ophalen met de auto...
...of hij even voor mij moet opbellen, om te reserveren...?
Slik..
Ik stotter een 'Ja, graag, bedankt'.
Even later zit ik achter in de auto, terwijl de Japanner vrolijk praat met de bestuurder, en voel me een enorme kleuter in een enorme hoek.
'Daar ga je met je botte gedrag, 'Mister Self-realisation'. Met al je diepe Zen-shit. Het is maar goed dat jij bent blijven door pelgrimeren.'
De volgende ochtend, zes uur, hangt er een dikke mist in de donkere bergen als ik aan de zeer stijle bergroute begin. De route wordt omschreven als 'Henro Korogashi'; 'de pelgrim valt om'. Een aanduiding voor de zwaarste parcours in de tocht. Deze is twee en een halve kilometer lang, zonder horizontale gedeeltes.
Hoe hoger ik klim, hoe dikker de nevelflarden. De herfstbladeren en vochtige aarde wasemen een heerlijke aardse geur uit. Als ik de kern van de mistwolk instap lijkt deze al het geluid uit de vallei op te slokken. Het is helemaal stil. Hogerop, als ik er na twintig minuten weer uitloop, breekt ochtendlicht door de nevel en zie ik hoe ranke bomen de diepte van de vallei zichtbaar maken. Ik voel me bijna gedrogeerd door de sprookjesachtige sfeer om mij heen. Dan, zonder overgang, loop ik het bos uit, het volle licht in en is mijn klim over.
Ik sta op een eenzame asfaltweg die letterlijk over de kam van de berg loopt. Ik ben op de top! Links zie ik de verre bergen van Kagawa, rechts die van Tokushima. De zon breekt door en schijnt fel op de gele en oranje bladeren van bomen en struiken. Grote mistflarden kruipen traag van rechts omhoog, over de weg waar ik loop, en glijden aan de andere kant weer naar beneden. Ik sta midden in een trage, tijdloze voortgang.
Het is een glorieus moment. Voor mijn hart en mijn geest. Hier loop ik, in de frisse ochtendlucht, en geniet van dit alles omdat ik weer voor Shikoku koos. Tegen alle verbazing van vrienden en familie in, vertrok ik toch weer en kijk dan! Ik ben zomaar getuige van een van de vele geheime bijeenkomsten der elementen op een plek die bijna niemand bezoekt.
Een half uur later loop ik het terrein van de eerbiedwaardige tempel Unpenji op.
De Hondo is exact vierkant, net een kubus. Het is een nieuw gebouw, want het hout is nog licht en glad. Een derde van de ruimte is voor bezoekers, daarna is er een afscheiding waarachter zich de heiige voorwerpen, kaarsen en een altaar bevinden.
Als ik in de Hondo binnenkom heb ik opeens een emotionele reactie. Het is me vaker overkomen in de tocht. En altijd door de relatie tussen tempelgebouwen en de omgeving of de objecten die erin staan. De aard van die ruimtelijke verhoudingen roept een verlangen op naar iets dat ik niet meer heb, maar waar ik ooit thuis was. De beklemming van een herinnering aan eenzaamheid, alsof ik ooit verstoken was van iedereen, door eigen keuzes. Ik sta minuten lang de ruimte in mij op te nemen en vind het prettig om die beklemming te herkennen en te voelen.
Terug uit de bergen, in Kagawa, wandel ik Daikoji, tempel zevenenzestig, binnen. Deze ligt midden tussen de rijstvelden, maar wel op een heuvel, waarop een hele oude, reusachtige boom groeit, die geplant zou zijn door Kukai zelf. Hij strekt, samen met een aantal andere reuzen, zijn takken uit over de oude trap naar de Hondo.
Ik voel al de hele dag dat langzaamaan het einde van de tocht gaat naderen. Terwijl ik mijn ogen dichtklem bid ik intenser dan ooit dat ik, eenmaal weer in Nederland, niet overspoeld word met de oude manier van denken en voelen en al het waardevolle dat ik hier opdoe niet in rook zal opgaan.
Hoe kom ik van mijn faalangst af?!
Op het moment dat ik die vraag stel heb ik het antwoord al. Maar ik besef dat het antwoord er al die tijd al was; toen ik op de eindeloos route langs Kaap Moroto liep; toen ik trap na trap bergtempels besteeg, gebogen bij Hondo's stond, maar eigenlijk al voor mijn reis, toen ik lamlendig op mijn bank in Amsterdam lag, ziek en teneergeslagen, wist ik het:
Als na alles dat hier beleefd en doorgemaakt is niets mij meer in de weg staat om te doen wat ik wil, en uiteindelijk ik en mijn faalangst overblijven, en de wurggreep van het 'te ver gelegen doel' mij dreigt te verlammen, dan blijft er één ding over:
Beginnen.
Maar, stap voor stap.
De enige manier om te doen wat ik wil, is door het stap voor stap te doen.
Ik loop weg van Daikoji. Er zijn geen kerkklokken die gaan beieren, geen juichende menigte langs mijn pad als ik verder trek. Alleen maar het plezier van buiten lopen.
Hier kan ik maar met één zin op reageren, lieve Ingmar! 💋 Met mijn eigen motto: 'Ik moet veel ver-dwalen om het juiste pad te vinden'.🙏🏼
ReplyDeleteI enjoyed reading about about your experiences! May the elements continue to come together for you!
ReplyDeleteAnd you're right: everything is experienced "step by step".
Be where you are
When you're there.
Do what you're doing
When you're doing it.
Thank you for that 'energy':-)
DeleteFijn om je verhaal te lezen. Geniet stap voor stap van je reis beste Ingmar.
ReplyDelete